Column

Pas op met woede

fritsabrahams0

We moeten niet te lang woedend blijven, vindt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, want woede heeft maar een heel beperkt nut. Het is het kernthema van haar nieuwe boek Woede en vergeving, dat ze de komende dagen in Nederland zal promoten. Een tegendraadse boodschap in een wereld waar de laatste tijd overal grote explosies van woede plaatsvinden.

Haar boek is door het logge filosofische jargon niet overal even toegankelijk, maar wie er moeite voor doet stuit op veel gedachten die van belang zijn. Ook Martha Nussbaum noemt kortdurende woede begrijpelijk en menselijk, maar zij maakt aannemelijk dat we op de langere termijn weinig met woede bereiken. Dat herken ik. Mijn eigen ervaring met woede is dat hij kort na de ontlading een sterk bevrijdende werking heeft, die bij nader inzien snel verdampt en een katerachtig gevoel achterlaat, nauw verwant met schaamte.

Nussbaum constateert dat woede in het leven van de meeste mensen een prominente rol speelt. Er kunnen ook goede gronden voor woede zijn, maar toch is het voor haar een ‘ontzettend slechte raadgever’. Woede heeft hooguit een beperkte waarde als signaal, drijfveer en afschrikking, verder heeft hij geen positieve eigenschappen. Woede is vooral „een grote hindernis voor de ruimhartigheid en empathie die een toekomst van gerechtigheid helpen opbouwen”.

Zij ondersteunt haar betoog met bespiegelingen over drie historische figuren: Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Dat zijn voor haar mensen die in hun politieke leven goed met woede zijn omgegaan. Zij ziet tussen hen zowel overeenkomsten als verschillen.

In zijn ‘Ik heb een droom’-toespraak doet King een oproep tot woede, hij hekelt racistische misstanden, maar vervolgens demoniseert hij de blanke Amerikanen níet, hij vergelijkt hen alleen met mensen die een financiële verplichting niet zijn nagekomen. Daarna richt hij zich op de toekomst wanneer allen zich aaneensluiten in het streven naar gerechtigheid. De vergeldingsdrang, die bij woede hoort, herschept hij in hoop.

Kings voorbeeld was Gandhi, die woede verafschuwde. Liet King nog wel woede toe in de overgang naar woedeloosheid, Gandhi bepleitte zowel woedeloosheid als geweldloosheid. Nussbaum is dat niet met Gandhi eens; zij houdt vol dat woedeloosheid geen geweldloosheid omvat. De geweldloze manier waarop Gandhi Hitler tegemoet wilde treden, noemt zij absurd.

Van deze drie figuren lijkt Nussbaum Mandela te prefereren. Mandela vond strategisch geweld om iets te bereiken geoorloofd, maar daarna wilde hij zich op verzoening en de toekomst richten. Nussbaum vindt daarom dat King dichter bij Mandela stond dan bij Gandhi.

Mandela beschouwde rancune en vergelding als slechte drijfveren voor een leider. Woede was voor hem in de politiek nutteloos, ruimhartigheid loonde wél. Nussbaum laat met een aantal indrukwekkende voorbeelden zien hoe Mandela zijn visie succesvol in praktijk bracht.

Trump komt in haar boek helaas nog niet voor; zijn opmars was nog niet ver genoeg toen zij het schreef. Wel constateert zij dat veel Amerikanen woede goed, krachtig en mannelijk noemen. Zij denkt daar anders over en hoopt dat haar lezers zullen inzien „hoe irrationeel en dwaas woede is”.

Bij mij is haar dat gelukt.