Jonge arts? Reken niet meteen op een vaste baan

Starters

Van alle net afgestudeerde medisch specialisten krijgt slechts de helft een vast contract. Wat kunnen jonge artsen daaraan doen?

Illustratie Tomas Schats

Jaren in de collegebanken, co-schappen lopen en daarna nog eindeloos specialiseren: als arts in opleiding moet je er iets voor over hebben om aan het werk te kunnen. Maar de kans direct daarna een vaste baan te krijgen, is helemaal niet zo groot. Dat blijkt uit een enquête van beroepsvereniging De Jonge Specialisten (DJS) onder net afgestudeerde specialisten, waarvan de resultaten vorige week in vakblad Medisch Contact verschenen.

De beroepsvereniging stuurde een enquête uit naar specialisten die maximaal drie jaar klaar zijn met hun opleiding én naar artsen die het komend half jaar hun specialisatie af zullen ronden. Er kwamen ruim duizend reacties binnen, waarvan minstens de helft (52 procent) een tijdelijk contract bleek te hebben. Van die groep zei slechts een derde zicht te hebben op een vaste baan. De oorzaak daarvan wijdt DJS aan financiële onzekerheid in de zorg: voor ziekenhuizen is het veiliger tijdelijke contracten uit te delen.

„Dat is bepaald niet ideaal voor de carrière van een arts, en ook niet voor de continuïteit in de zorg”, stelt Fleur van den Heijkant, uroloog in opleiding en bestuurslid van DJS. „Je bent vaak alleen al veel tijd kwijt met inwerken en de logistiek van het ziekenhuis leren kennen.” Tijd die je vervolgens niet kunt besteden aan langdurige projecten, zegt van den Heijkant. „We weten natuurlijk dat op andere delen van de arbeidsmarkt nog vaker met tijdelijke contracten wordt gewerkt, met name bij starters. Maar specialisten zíjn geen starters. Specialisten hebben al minimaal zes jaar gedurende hun specialisatie gewerkt.”

Werk is er bovendien genoeg, zegt Van den Heijkant. Daar ligt het niet aan. „Het zijn vooral de financiële onzekerheden.” Als er meer zekerheid in de zorg komt, zullen ook de ziekenhuizen wel tot rust komen, vermoedt ze. Het aantal opleidingsplekken wordt inmiddels gelukkig afgestemd op de vraag. „Daarbij proberen wij nu te stimuleren dat de oudere generatie het werk gaat afbouwen, zodat er meer plekken voor jonge, startende dokters bijkomen.”

Je moet je onderscheiden

Zelf is Van den Heijkant blij dat ze voorlopig nog niet klaar is met haar specialisatie tot uroloog: ze moet zeker nog drie jaar. „Over een paar jaar is de onzekerheid over de financiering van de zorg hopelijk een beetje gaan liggen”, zegt ze. Ondertussen probeert ze zich zoveel mogelijk te onderscheiden van andere urologen. Haar advies voor lotgenoten is dan ook datzelfde te doen: „Jonge dokters kunnen het beste dat beetje extra aan hun cv werken tijdens de opleiding, of bekijken wat de mogelijkheden zijn buiten het specialistisch werk. Zelf lijkt het me bijvoorbeeld ideaal om dokterswerk te combineren met een bestuurs- of managementfunctie voor een aantal dagen in de zorg.”