Column

Verkeerd lichaam

Deckwitz, Ellen 10-2015 01

Ik heb een hele rits familieleden die ik afgezien van begrafenissen en bruiloften alleen rond Sinterklaastijd zie. De meesten hebben (klein)kinderen of zijn druk bezig ze te produceren. En zo dijt de 5-decemberclub jaarlijks uit, waardoor we afgelopen weekend noodgedwongen pakjesavond vierden in een enorme boerderij te Hertme. Daar zat ik met mijn vijftien achterneefjes- en nichtjes, allemaal strontverkouden en misselijk omdat ze al sinds vrijdag aan één stuk door klakkeloos pepernoten en snoepgoed van de grond hadden gegeten.

Doordat ik de meesten slechts eenmaal per jaar zie, moeten we altijd even wennen. Een van mijn achternichtjes was afgelopen Sint nog een blond onderdeurtje van negen, maar bleek in twaalf maanden vijftien centimeter te zijn gegroeid. „Ze is zelfs al ongesteld”, fluisterde mijn nicht. Verder was ze weinig veranderd. Ze kan nog steeds niet tegen haar verlies en barst in tranen uit als ze bij Monopoly op de volbebouwde Kalverstraat van haar kleine broertje belandt. Ze is een kleuter in het lichaam van een tiener, maar dat overkomt de beste pubers.

„Wat worden ze al groot”, zei ik tegen mijn zus.

„Het gaat zo snel voorbij”, zuchtte ze, „weet je nog dat oma op haar negentigste zei dat ze vanbinnen altijd vijfentwintig is gebleven? Nu ik erop terugkijk, komt me dat steeds wranger voor. Dat je als negentigplusser na vijf minuten douchen doodop bent, terwijl je vroeger daarna rustig een marathon liep. Haar lichaam moet op het laatst een loden kooi zijn geweest”.

Mijn zus is een dertiger en van binnen soms al bejaard: ze is een omgekeerde puber. Vroeger, toen ze nog op Angelina Jolie leek, stond ze op ieder portret vooraan. Tegenwoordig wordt ze boos als ik haar in een foto op Facebook tag. Ze zucht dat ze te oud is om ooit nog liefde te vinden, en ik voel me machteloos. Wat kan ik nog zeggen? Ja, we worden allemaal ouder en lelijker, maar ook slimmer en grappiger? Dit soort mededelingen ketsten af op mijn zus.

„Het is een fase”, zegt mijn moeder als ik haar er die avond onder vier ogen over spreek. „Het is natuurlijk niet leuk om te zien dat je in een verlepte versie van jezelf verandert, zeker als je ooit zo mooi was als zij.”

„Komt ze er ooit overheen?” vraag ik bezorgd. Mijn moeder grinnikt. „Het is mij ook gelukt. Ik geef weer even weinig om mijn uiterlijk als toen ik tien was.” Misschien is dat de bedoeling van ouder worden. Dat je eindelijk weer jong wordt, en al die onzin over je uiterlijk laat varen. Dat je dan ook jezelf niet meer objectiveert en je uiterlijk voor niets meer hoeft in te zetten dan een omhelzing.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.