Cultuur

Interview

Interview

Foto Olaf Kraak

‘Veel tieners hebben meer in hun mars’

Jelle Jolles bleef zitten in de tweede klas van de middelbare school. Nu is hij hoogleraar neuropsychologie en schreef hij een boek over het tienerbrein. ‘Een leraar in het voortgezet onderwijs kan moeilijk concurreren met vrienden.’

In de tweede klas van de middelbare school had Jelle Jolles (1949) alleen goede cijfers voor tekenen en gymnastiek – hij bleef zitten. De jonge Jolles had het veel te druk met strandjutten, vogels opzetten, schaken en uitvindingen doen. Later studeerde hij cum laude af en schopte hij het tot hoogleraar in de neuropsychologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Als specialist in hersenen en leren schreef nu hij een boek over het tienerbrein.

Er zijn al veel boeken over het puberbrein, waarom nog één?

„Tieners zijn fijne energieke personen die over 25 jaar onze samenleving zullen leiden. Het is onze taak om hen daarvoor zo goed mogelijk voor uit te rusten. Mijn boek gaat over de tiener in zijn context: ouders, leraren, vrienden, sport, alles waar hij mee bezig is. Die omgeving is bepalend voor hoe zijn brein zich ontwikkelt. Ik vind het belangrijk dat de samenleving daarvan doordrongen raakt. Ons brein, ons karakter en onze intelligentie liggen niet vast.”

Dus als je er maar genoeg in stopt kunnen vmbo-leerlingen misschien naar het vwo?

„Dát is te kort door de bocht. Maar hoe een kind leeft en wat het leert, is ontzettend belangrijk. Veel kinderen die op het vmbo zitten, hebben een relatief schrale opvoeding gehad. Met liefhebbende ouders misschien, maar met weinig stimulans om boeken te lezen, weinig uitdagend speelgoed. Dan ontwikkel je je niet in de breedte. Daarom lopen veel kinderen van hoger opgeleide ouders op hun dertiende al één of twee jaar voor op kinderen die even intelligent zijn maar toevallig niet dat voordeel hebben gehad. Als we niets doen wordt de kloof tussen lager opgeleide gezinnen en hoger opgeleide gezinnen alleen maar groter.”

Geldt dat ook voor de kloof tussen jongens en meisjes?

„Sommige verschillen tussen jongens en meisjes worden uitvergroot door de omgeving. Ik pleit voor een genderneutrale benadering. Tegelijkertijd is het wel zo dat jongens en meisjes zich in een ander tempo ontwikkelen. Veel meisjes zijn wat minder onderzoekend en hun taalontwikkeling verloopt vaak sneller dan bij jongens. Hierdoor overschatten we meisjes snel. We kunnen hen uitdagen om actiever te worden. Jongens zijn vaak wat beweeglijker en ongeduriger, hen onderschatten we juist vaker. Het helpt jongens ook als ze oefenen om zich uit te drukken en in te leven in een ander. En alle tieners hebben er baat bij als ze leren hun emoties te verwoorden, hun impulsen te reguleren, en hun keuzes te overzien.”

Hoe kunnen die tieners die impulsregulatie oefenen?

„Ouders kunnen de denkvaardigheden van hun tiener verbeteren door hem of haar open vragen te stellen over wat hij denkt of doet, door hem leren te verwoorden en verbeelden, door hem feedback te geven. In dat proces heb je een gigantisch belangrijke rol als ouder.”

Wat zou u graag anders zien in het onderwijs?

„Leraren zouden vooral aandacht voor de sterktes en zwaktes van een leerling moeten hebben. Niet alleen voor de schoolse kennis, maar juist voor de persoonlijke groei en het denkvermogen. In mentorlessen zou getraind kunnen worden op neuropsychologische vaardigheden, zoals zelfinzicht, op leren hoe je moet leren, hoe je luistert naar elkaar, zelfregulatie, planning: de zogenoemde executieve functies. Dat geeft kinderen houvast.”

U schrijft ook dat tieners vooral met elkaar bezig zijn, en met die leuke Linda in haar zilveren legging. Die leraar kan hun dan toch gestolen worden?

„Een leraar in het voortgezet onderwijs kan inderdaad moeilijk concurreren met vrienden. Maar hij kan het winnen als hij zijn leerlingen deze vaardigheden bijbrengt. Veel docenten doen dat ook al. Wij bieden cursussen ‘Leer het brein kennen’, waarin kinderen leren over concentratie, en wat er gebeurt als die leuke Linda binnenkomt. Ze leren ook dat ze niet allemaal hetzelfde denken. En dat ze in een groep vaak tegen hun zin doen wat het populairste kind wil. Zo kweek je zelfinzicht en empathie. Dat vind ik twee van de belangrijkste hersenfuncties.”

Maar ouders hebben vaak geen tijd, en leraren zijn al overbelast.

„Deze dingen kunnen niet van de ene dag op de andere veranderen. Toch merk ik dat er ouders, leraren en scholen zijn die besluiten om voor hun kind of klas sommige dingen anders aan te pakken.

„En die tijd is er echt wel, je moet hem alleen anders besteden. Iedere ouder stopt veel tijd in zijn kind. Er moet eten op tafel, ze brengen ze naar sport- en muzieklessen, of naar oma. Besteed die tijd met meer aandacht en interesse. Zet je telefoon uit ’s avonds, of in het weekend. Ga het gesprek aan. Dat kan gewoon terwijl je aan het koken bent, luisteren naar wat er op school is gebeurd.

Als lezer van uw boek kun je het idee krijgen dat je je tiener helemaal kunt vormen. Er zijn ook ouders die hun kind overstelpen met bijlessen in het huiswerkinstituut om het maar op het gymnasium te houden. Is dat de bedoeling?

„Dat schiet het doel voorbij. Die ouders zetten puur in op de cognitieve ontwikkeling, en niet op de sociale en emotionele ontwikkeling, zelfinzicht, motorisch leren. Die leer je niet op een huiswerkinstituut, maar in muziekles of van de coach van het handbalteam.

„Veel zaken buiten school hebben directe invloed op wat je op school leert. Door motorisch leren verbetert bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht, en dat is weer nodig om wiskunde te begrijpen. De echte brede vorming omvat dus meer dan het cognitieve leren. Als je de executieve functies ontwikkelt in de tienertijd, dan komen de cognitieve gewoon mee.”

Zou uw eigen schoolloopbaan er in deze tijd anders hebben uitgezien?

„Ik heb enorm veel geluk gehad. Ik had een leraar, meneer Van den Brandhof, en ouders die vertrouwen in me hadden. Ik bleef zitten, maar kon op het gymnasium blijven. Ik heb zoveel baat gehad bij de breedte van alle dingen die ik deed – binnen, maar ook buiten school. Zo kan dat voor veel kinderen zijn.

„Op het ogenblik schuiven scholen kinderen sneller af naar een lager onderwijstype, zodat de prestatiegraad van de school goed blijft. Kinderen worden dan ondergestimuleerd – ik denk dat ik me erg verveeld had als ik naar de hbs gegaan was. Ik vind dat zorgwekkend, omdat het ook lastiger wordt om op te kunnen stromen. Scholen proberen de laatste jaren het vmbo kwijt te raken, omdat de hogere schooltypes meer opleveren.

„Een traag groeiende boom kan ook de hoogste boom worden. Ruim 60 procent van onze tieners zit op het vmbo, en een groot deel heeft meer in zijn mars. Laten we ze stimuleren en inspireren, met taal, met woorden, door te verbeelden. Geef ze de kans om op een later moment naar boven te komen drijven. Tieners moeten zich zo breed mogelijk ontwikkelen, om aan het einde van die tijd zich op veel plekken in de samenleving te kunnen invoegen. Je weet tenslotte niet wat er in 2025 gevraagd wordt op de arbeidsmarkt.”

Jelle Jolles, Het tienerbrein. Over de adolescent tussen biologie en omgeving, 424 blz., 24,95 euro, Amsterdam University Press