Opinie

Stop met dat rampzalige vieren van verschillen

Opinie De nadruk op raciale en seksuele identiteit in Amerika is doorgeslagen, schrijft . „Het heeft een generatie narcistische liberalen voortgebracht die zich niet geroepen voelt Amerikanen in alle soorten en maten de hand te reiken.”

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

opiauteur Lilla Mark

Het is een waarheid als een koe dat Amerika een diverser land is geworden. Het is mooi om dit te zien. Buitenlandse bezoekers, vooral uit landen die moeite hebben om verschillende etnische groeperingen en godsdiensten te verenigen, zijn verbaasd dat Amerikanen hier wel in slagen. Niet volmaakt natuurlijk, maar beslist beter dan elk Europees of Aziatisch land op dit moment. Dat is een buitengewoon succesverhaal.

Maar hoe moet deze diversiteit in onze politiek doorwerken? Het vaste progressieve antwoord luidt nu al bijna een generatie dat we ons van onze verschillen bewust moeten worden en ze moeten ‘vieren’. Dat is een prachtig moreel-pedagogisch beginsel – maar in onze ideologische tijd ook rampzalig als grondslag voor democratische politiek. De laatste jaren is progressief Amerika in een soort morele paniek geraakt over raciale, seksuele en genderidentiteit.

Een van de vele lessen van de laatste presidentsverkiezingen, en de afstotelijke uitkomst daarvan, is dat er een einde moet komen aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme. Hillary Clinton was op haar best als ze sprak over de Amerikaanse belangen in de wereldpolitiek en hoe deze samenhangen met ons idee van democratie. Maar als ze sprak over het leven dicht bij huis, verloor ze die brede visie meestal weer en verviel ze in de retoriek van de diversiteit, met telkens weer een uitdrukkelijk beroep op de Afro-Amerikanen, latino’s, LHBT’s en vrouwen onder de kiezers.

Dat was een strategische fout. Wie in Amerika over groepen begint, kan ze maar beter allemaal noemen. Want anders valt dit de ongenoemden op en voelen zij zich uitgesloten. Dit nu is gebeurd met de blanke arbeidersklasse en de mensen met sterke godsdienstige overtuigingen. Maar liefst tweederde van de blanke kiezers zonder voortgezet onderwijs heeft op Donald Trump gestemd, evenals meer dan 80 procent van de blanke conservatieve christenen.

Morele opwinding

De morele opwinding rondom identiteit heeft uiteraard veel goede effecten gehad. Positieve discriminatie heeft het bedrijfsleven hervormd en verbeterd. Black Lives Matter heeft elke Amerikaan met een geweten wakker geschud. De inzet van Hollywood voor de normalisering van homoseksualiteit in onze populaire cultuur heeft bijgedragen tot de normalisering ervan in Amerikaanse gezinnen en in het openbare leven.

Maar de gerichtheid op diversiteit op onze scholen en in de pers heeft een generatie narcistische liberalen en progressieven voortgebracht die zich niet bewust zijn van de omstandigheden buiten hun zelfgedefinieerde groep en die zich niet geroepen voelen Amerikanen in alle soorten en maten de hand te reiken.

Al heel jong worden onze kinderen aangemoedigd om over hun eigen identiteit te praten, nog voor ze die eigenlijk hebben. Eenmaal op de universiteit menen velen dat het debat over diversiteit het politieke debat overbodig maakt en hebben zij schrikbarend weinig te zeggen over eeuwige vraagstukken als klasse, oorlog, economie en algemeen welzijn. Dit komt voor een groot deel door het geschiedenisonderwijs op de middelbare school, dat de huidige identiteitspolitiek op anachronistische manier op het verleden projecteert en zo een vertekend beeld schept van de grote krachten en personen die ons land hebben gevormd. (De vrouwenrechtenbewegingen hebben bijvoorbeeld reële en belangrijke dingen bereikt, maar deze zijn pas te begrijpen als we eerst inzien wat de ‘founding fathers’ hebben bewerkstelligd door een regeringsbestel op basis van gewaarborgde rechten op te zetten.)

Als jongeren gaan studeren, blijven ze daardoor op zichzelf gericht en worden daarin nog aangemoedigd door studentengroepen, docenten en bestuurders die een dagtaak hebben aan ‘diversiteitsvraagstukken’.

Dit diversiteitsbewustzijn aan de universiteiten is door de jaren heen doorgesijpeld naar de progressieve media. Laatst heb ik tijdens een sabbatical in Frankrijk een experimentje gedaan: een heel jaar lang heb ik alleen Europese publicaties gelezen, geen Amerikaanse. Ik wilde proberen de wereld te zien zoals Europese lezers. Eenmaal thuis was het vooral heel leerzaam om te zien hoezeer de lens van de identiteit de Amerikaanse berichtgeving de afgelopen jaren heeft veranderd. Hoe vaak bijvoorbeeld het gemakzuchtige verhaal over ‘de eerste X die Y doet’ – wordt verteld en naverteld.

De fascinatie voor het identiteitsdrama is zelfs van invloed op de buitenlandse berichtgeving, die bedroevend karig is. Hoe boeiend het misschien ook is om bijvoorbeeld te lezen over het lot van transgenders in Egypte, het leert de Amerikanen niets over de krachtige politieke en godsdienstige stromingen die de toekomst van Egypte en indirect die van onszelf zullen bepalen. Grote nieuwsmedia in Europa zouden er niet over piekeren om een dergelijke invalshoek te kiezen.

De spectaculairste mislukking

Maar zoals we onlangs hebben gezien is het identiteitsliberalisme nog het spectaculairst mislukt op het vlak van de verkiezingspolitiek. In gezonde tijden gaat de nationale politiek niet over ‘het verschil’, maar over het gemeenschappelijke. Dan komt diegene bovendrijven die het beste uitdrukking geeft aan de Amerikaanse verbeelding van onze gedeelde lotsbestemming. Ronald Reagan deed dat heel vakkundig, wat we ook van zijn visie vinden. Hetzelfde geldt voor Bill Clinton, die een pagina uit het draaiboek van Reagan haalde. Hij maakte de Democratische Partij los van haar identiteitsbewuste vleugel, richtte zijn energie op binnenlandse programma’s die iedereen ten goede zouden komen (zoals een nationale ziektekostenverzekering) en definieerde de Amerikaanse rol in de wereld na 1989. Door twee termijnen aan te blijven kon hij vervolgens veel bereiken voor verschillende groepen binnen de Democratische coalitie.

Identiteitspolitiek daarentegen is vooral getuigend, niet overtuigend. Daarom win je er nooit verkiezingen mee – maar je kunt ze er wel door verliezen.

De nieuwe, bijna antropologische belangstelling van de media voor de boze blanke man zegt evenveel over de toestand van ons liberalisme als over die zo verguisde en voorheen veronachtzaamde figuur. Een voor progressieven comfortabele uitleg van de laatste presidentsverkiezingen luidt dat Trump heeft gewonnen omdat hij economische achterstand in raciale woede heeft weten om te zetten – de whitelash-theorie, oftewel de blanke revanche op de burgerrechtenbeweging. Dat is een veilig idee omdat progressieven daarmee voorbij kunnen gaan aan de dwingende zorgen die deze kiezers hebben geuit. Het voedt ook de waan dat de Republikeinse rechtervleugel op den duur aan demografische uitsterving ten prooi zal vallen – en dat progressieven dus alleen maar hoeven te wachten tot het land hun in de schoot valt. Uit het verrassend hoge percentage latinostemmen dat naar Trump is gegaan, blijkt eens te meer dat etnische groeperingen naarmate ze langer in dit land zijn, politiek steeds diverser worden.

Ten slotte is de whitelashtheorie comfortabel omdat progressieven dan niet hoeven te erkennen dat hun eigen obsessie met diversiteit de blanke, godsdienstige Amerikanen op het platteland heeft aangemoedigd om zichzelf te beschouwen als een achtergestelde groep waarvan de identiteit wordt bedreigd of genegeerd. Progressieven moeten goed onthouden dat de eerste identiteitsbeweging in de Amerikaanse politiek de Ku Klux Klan was, die nog altijd bestaat. Wie het identiteitsspel speelt, moet bereid zijn om het te verliezen.

Post-identiteitsliberalisme

We hebben een post-identiteitsliberalisme nodig en dat moet lering trekken uit de successen van het pre-identiteitsliberalisme uit het verleden. Dat liberalisme moet zich richten op een verbreding van zijn basis door een beroep op de Amerikanen als Amerikaan te doen en de problemen te beklemtonen waar zij in overgrote meerderheid mee te maken hebben. Het moet de natie aanspreken als een natie van burgers die in hetzelfde schuitje zitten en elkaar moeten helpen.

Leraren die zo’n liberalisme aanhangen moeten hun aandacht weer richten op hun grootste politieke verantwoordelijkheid in een democratie: de vorming van geëngageerde burgers die zich bewust zijn van hun regeringsbestel en van de grote krachten en gebeurtenissen in onze geschiedenis.

Een post-identiteitsliberalisme zou ook beklemtonen dat de democratie niet alleen om rechten draait. Ze legt haar burgers ook plichten op, zoals de plicht om zich te informeren en te stemmen. En een progressieve post-identiteitspers zou zich verdiepen in de delen van het land die veronachtzaamd zijn en in alles wat daar van belang is, vooral de godsdienst. En ze zou haar verantwoordelijkheid serieus nemen om de Amerikanen te informeren over de grote krachten die de wereldpolitiek vorm geven, met name in historisch perspectief.

Een paar jaar geleden werd ik uitgenodigd om op een vakbondscongres in Florida als panellid te spreken over de beroemde Four Freedoms-speech van Franklin D. Roosevelt uit 1941. De zaal zat vol afgevaardigden van plaatselijke afdelingen – mannen, vrouwen, zwarten, blanken, latino’s. We begonnen met het zingen van het volkslied en gingen daarna zitten om naar een opname van de toespraak van Roosevelt te luisteren. Terwijl ik de zaal in keek en al die verschillende gezichten zag, werd ik getroffen door hun concentratie op datgene wat ze deelden. En al luisterend naar de bewogen stem waarmee Roosevelt de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van vrees uitdroeg – vrijheden die Roosevelt voor ‘iedereen ter wereld’ verlangde – moest ik denken aan de echte grondslagen van het hedendaagse Amerikaanse liberalisme.