Schrijven als eindeloze legpuzzel

Paul de Wispelaere (1928-2016)

Roman en essay vloeiden bij de Vlaamse auteur regelmatig in elkaar over. Dubbelzinnigheid was zijn voornaamste thema.

Paul de Wispelaere, thuis in Zottegem. Foto Rien Zilvold

In 1998 kreeg de vrijdag op 88-jarige leeftijd gestorven Vlaamse schrijver Paul de Wispelaere de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren wegens „de onverwisselbaarheid van zijn taal” en „de vernieuwing van de roman in modernistische zin”. Dat kwam, vooral in Nederland, als een grote verrassing. Hier heeft De Wispelaere nooit het grote publiek bereikt van zijn generatiegenoot Hugo Claus of de iets oudere Louis Paul Boon.

Dat hing samen met de moeilijk te duiden scheidslijnen in zijn oeuvre. Zijn romans neigden naar het essay, zijn dagboeken liepen soms uit op korte verhalen, ook al omdat dubbelzinnigheid een van De Wispelaeres voornaamste thema’s was. Dat werkte hij even verfijnd als verwarrend uit in het schrijversdagboek Paul-tegenpaul uit 1970. Vijf jaar eerder, in 1965, stond in de roman Mijn levende schaduw al te lezen: „Ik leef niet, ik zit hier en kijk, terwijl ik schrijf zie ik, ontdek ik wat ik tevoren niet wist, ik vind stukjes van een puzzel waaraan ik misschien mijn hele leven zal werken, nooit komt het legwerk klaar want het verleden wisselt voortdurend van gedaante volgens het heden.”

Het legwerk van De Wispelaere is imposant: tientallen romans, essaybundels en dagboekuitgaven, waarvan Het verkoolde alfabet uit 1992 het meeste succes had. Dat boek, waarin hij onder meer verslag deed van zijn liefde voor een 26 jaar jongere vrouw leverde de schrijver een nominatie voor de AKO Literatuurprijs op.

De Wispelaere was jarenlang hoogleraar in Antwerpen en was een kenner van het werk van Louis Paul Boon. Hij schreef graag en veel over auteurs die hij bewonderde. En over de natuur, wat aansloot bij zijn kritische gedachten over de invloed van industrialisatie, verzakelijking en bureaucratie. In De Morgen prees Kristien Hemmerechts hem maandag als een man met een open oog voor het werk van andere schrijvers: „Ik denk dat hij het niet in zich had om gemeen te zijn.”