Italië is een vulkaan onder de eurozone

Italiaanse economie

De Italiaanse economie strompelt voort, de productiviteit stijgt niet, de staatsschuld is enorm en een uitweg is er nauwelijks.

Ooit zaken gedaan in Kazachstan? Of in Azerbeidzjan of Indonesië? Het kan een stuk profijtelijker zijn, en gemakkelijker, dan in Italië. Begin dit jaar zette het World Economic Forum het zuidelijke euroland op een 43ste plaats op de jaarlijkse World Competetiveness Index – onder de hierboven genoemde landen. Zij worden op deze wereldranglijst van concurrentievermogen dus hoger ingeschat.

Van alle oorspronkelijke eurolanden staat Italië verreweg het laagst. Nederland prijkt op een vijfde plek, Duitsland op een vierde. Dat concurrentieposities in de eurozone sterk verschillen is misschien onoverkomelijk. Ook binnen de Verenigde Staten bestaan forse verschillen, bijvoorbeeld tussen Massachusetts en Mississippi. Maar het gat tussen Italië en de rest van de oprichters van de euro is wel erg groot. En het is sinds 1999 alleen maar verder gegroeid.

Lees ook ons liveblog: Nasleep referendum Italië

Neem de toename van de arbeidsproductiviteit, de basis voor de groei van welvaart. In de eurozone steeg deze gemiddeld met ruim 11 procent over de periode 1999-2016. Dat is al niet erg veel. Maar Italië is het enige euroland waar de arbeidsproductiviteit sinds 1999 niet eens is toe- maar zelfs is afgenomen.

Een stilstaande economie

Het resultaat van terughollende concurrentiekracht en dalende productiviteit is een buitengewoon lage economische groei. Tussen 1999 en 2016 wist de Italiaanse economie jaarlijks gemiddeld met maar 0,2 procent te expanderen. Het resultaat, welhaast onvoorstelbaar, is dat de economie nu nauwelijks groter is dan toen. De magere 3,9 procent aan groei over die zeventien jaar sinds de euro bestaat is evenveel als van de Nederlandse economie wordt verwacht in slechts twee jaar: 2016 en 2017. En volgens economen van ABN Amro is de potentiële groei van Italië, de ‘kruissnelheid’ van de economie, op dit moment zelfs negatief. Dat komt zelden voor.

Het gevolg van dit alles is een relatieve krimp van de baten en een relatieve groei van de lasten, ten opzichte van andere eurolanden. Dat maakt Italië een voorbeeld van het risico dat in een monetaire unie landen in een neerwaartse spiraal terecht kunnen komen als zij geen maatregelen nemen om concurrerend te blijven.

Die ingrepen zijn grotendeels uitgebleven. De Italiaanse economie is in omvang nog maar 55 procent van de Duitse, terwijl dat bij de invoering van de euro nog 66 procent was. Toch is de Italiaanse staatsschuld in absolute omvang groter dan die van Duitsland: de 2.211 miljard euro die uitstaan aan Italiaans overheidskrediet is de grootste schuldenberg van de hele eurozone. Van alle euroleden betaalt Rome dan ook de meeste rente: 3,9 procent van het bruto binnenlands product, en dat terwijl de rente ook voor Italië al geruime tijd historisch en comfortabel laag is.

Hoe dat verder moet? ABN Amro rekende maandag een basisscenario waarbij de staatsschuld over de eerstvolgende jaren lichtjes daalt, vanaf de huidige 132 procent van het bruto binnenlands product. Maar dat veronderstelt wél economische groei en een rentevoet die even historisch laag blijft als nu. Wordt in het scenario de groei verlaagd met 1 procentpunt en de rente verhoogd met 1 procentpunt – zeker geen ondenkbaar scenario, dan blaast de staatsschuld op tot 160 procent van het bbp. Dat zijn Griekse verhoudingen.

Een tijdbom in euroland

Italiaanse banken zijn in deze omstandigheden nauwelijks winstgevend en gaan gebukt onder grote bedragen aan oninbare leningen. Samen met de ontbrekende groei en enorm hoge schuldenlast is het niet verwonderlijk dat veel andere eurolanden Italië zien als de grootste en gevaarlijkste tijdbom van de eurozone. Om die onschadelijk te maken zal er fors hervormd moeten worden. Maar net als in de rest van Europa is er publiek verzet tegen hervormingen die de dynamiek in de economie moeten bevorderen en de arbeidsmarkt flexibeler moeten maken. Het verschil met de rest van Europa is dat de burger dáár al veel veranderingen en verslechteringen voor de kiezen heeft gehad sinds de economische crisis, maar de Italiaanse burger nog nauwelijks.

Het alternatief is om overheidsgeld in te zetten om mee te investeren. Maar dat geld is er niet. De OESO, de club van rijke industrielanden, riep Rome vorige week nog op om het door de lage rente uitgespaarde geld (1 procent van het bbp) in te zetten als investering in de infrastructuur, maar dat geld is al verdwenen in het begrotingsgat van 2,4 procent van het bbp.

Zo stemt de huidige toestand van de Italiaanse economie somber. Even somber als die van de Griekse een jaar of vijf geleden? De klap zou onnoemelijk veel groter zijn.