‘Ik heb meer erkenning gekregen dan ik ooit had verwacht’

Componist Philip Glass moest lang op het grote succes wachten, maar uiteindelijk bleek zijn minimal music ongeëvenaard invloedrijk. Zijn 80ste verjaardag, op 31 januari, wordt groot gevierd.

Scène uit Glass' opera Einstein on the Beach (1976) in regie van Robert Wilson, in 2013 bij de Los Angeles Opera Foto Getty Images
Foto Ivo van der Bent / HH

Foto Ivo van der Bent / HH

Philip Glass is bijna tachtig en zo ziet hij er ook uit. Niet als hij op het podium achter zijn synthesizer zit, maar de dag na een optreden in de Heineken Music Hall in augustus maakt hij een vermoeide indruk. Hij oogt grijzig, spreekt in mijmeringen, maakt zinnen niet af, staart wat voor zich uit. En dan, na een minuut of vijf, is het alsof hij ontwaakt.

„Hey, are you a musician?”, vraagt Glass. Hij buigt voorover en tikt me aan met de buitenkant van zijn hand, alsof we bondgenoten zijn. Alsof je als vrijetijdsmuzikant op gelijke hoogte staat met de legendarische minimal-pionier, die in dit geval ook nog eens vijftig jaar ouder is.

Dat Glass in januari tachtig wordt, kan niemand dit concertseizoen ontgaan. Er verschijnt een 24 cd-box met de volledige Sony-opnames. In bijna iedere zaal is er wel een eerbetoon. En terecht, want er zijn weinig eigentijdse componisten die zo’n stempel hebben gedrukt op de muziek als hij. En ook: slim, want Glass verkoopt. Zijn sterk op repetitieve patronen geënte muziek doet het zowel goed bij het klassiekemuziekpubliek als bij popliefhebbers. Lowlands boekte hem dit jaar met zijn cultklassieker Koyaanisqatsi (1982). Dat optreden, dat een dag na dit interview plaatsvond, werd als een van de hoogtepunten van het festival bestempeld.

Loodgieter en taxichauffeur

Glass heeft veel fans, maar heeft lang op het succes moeten wachten. Tot in de jaren zeventig had hij bijbanen om in zijn dagelijkse onderhoud te voorzien – hij was loodgieter en taxichauffeur. Toen het succes kwam, was hij nog steeds niet onomstreden. Nog altijd zijn er mensen die zijn muziek voor kitsch verslijten, mensen die al die herhaling maar makkelijk vinden. Wie Glass’ vorig jaar verschenen autobiografie Woorden zonder muziek leest, zou kunnen concluderen dat de Amerikaan nog altijd hunkert naar erkenning.

In de lobby van zijn Amsterdamse hotel komt hij juist heel bescheiden over. Oprecht.

„Toen ik in 1969 muziekavonden organiseerde, kwamen er dertig mensen”, zegt Glass. „Dat waren allemaal vrienden. Een paar jaar later speel je in gigantische zalen. Ik begrijp nog steeds niet wat er is gebeurd. Ik verwachtte dat ik mijn hele leven baantjes zou hebben. Pas toen ik 42 was, kon ik leven van de muziek. Mijn diploma’s en certificaten heb ik altijd bewaard voor het geval ik ze weer nodig zou hebben.” Hij lacht. „Die zijn vast veel waard nu. Nee, ik heb veel, véél meer erkenning gekregen dan ik ooit had verwacht.”

Glass werd geboren in een Joodse familie in Baltimore. Zijn vader had een platenzaak: de exemplaren die hij niet verkocht, liet hij door zijn zonen breken zodat hij ze ‘beschadigd’ kon terugsturen naar de leverancier.

Dat Glass zelf in de muziek zou gaan, was niet de bedoeling van zijn ouders. Dat het hem gelukt is, beschouwt hij als een triomf. Hij speelt nog iedere dag piano, zegt hij – altijd staat er een instrument in zijn hotelkamer. „Ik probeer nog steeds de etudes te spelen die ik jaren geleden heb gecomponeerd.”

Componeren met pen en papier

Hoe futuristisch zijn stukken uit de jaren zestig en zeventig ook mochten klinken, Glass werkt nog altijd computerloos – met pen en papier. Hij heeft net zijn Elfde symfonie voltooid, die op zijn verjaardag in première gaat in Carnegie Hall, New York. Maar met zijn eigen ensemble speelt hij vooral de oude hits. „Als het publiek ze leuk vindt en ik vind ze zelf leuk, waarom niet?”

Op zijn bijna-tachtigste vraagt Glass zich wel af: wat laat ik achter? Met zijn vaste dirigent loopt hij al zijn partituren na. „Iedere pagina van een partituur biedt 2.000 mogelijkheden voor een fout. Al bij één noot zijn er zoveel faalkansen: de lengte, de dynamiek, toonhoogte, et cetera. Ik maak fouten, maar als we mijn muziek spelen, lezen we eroverheen, omdat je niet echt leest: je weet wat er had móéten staan. Als je wilt dat je werk gespeeld blijft worden, moet je zorgen dat de partituren zo correct mogelijk zijn.”

Is dat dan zijn vurige wens, dat zijn werk hem overleeft? „Iedere kunstenaar wil dat zijn kunst wordt bekeken door de toekomst, maar de kans dat dat echt gebeurt, is heel klein. Zulke fantasieën zijn dwaas. Toen ik jong was, werd Paul Hindemith beschouwd als een groot componist, nu hoor je hem nooit meer. Aan de andere kant: toen ik jong was, kenden we maar één Janácek-opera, nu kennen we er veel meer.”

Op Lowlands heeft Glass weer een nieuwe generatie fans aangeboord. Mocht zijn muziek toch van de lessenaars verdwijnen, dan staat er misschien wel een nieuwe Glass op. Ook Cameron Glass componeert, zijn veertienjarige zoon uit zijn inmiddels ontbonden vierde huwelijk. „Hij is veel verder dan ik was toen ik zo oud was. Het mooie is dat hij mij niet imiteert: Bach is de basis van zijn vocabulaire. Dat is goed. You can’t break the rules till you know the rules.