Interview

Hij wil olympisch goud, en als eerste zwemmer door een bijna mythische grens

Zwemmen

Jesse Puts is Nederlands nieuwe 50-meterspecialist. Tegenslagen weerhouden hem niet van ambitieuze doelen, te beginnen op de WK kortebaan in Canada.

Jesse Puts verbeterde vorige maand zijn eigen nationaal record op de 50 meter vrije slag. Foto Merlijn Doomernik

’s Lands beste kortebaansprinter van het afgelopen decennium levert daags voor hij afreist naar zijn eerste WK zwemmen een moeizame strijd met een berg macaroni. Hij is al niet zo’n grote eter, en zeker niet in de taperweken, waarin hij zijn trainingsintensiteit afbouwt en minder honger heeft. Maar evengoed gaat het deze morgen om 170 gram pasta (gewogen voor het koken), 200 gram kip en wat tomatensaus.

Zijn moeder zet het stipt om elf uur glimlachend voor zijn neus. „En straks krijgt hij nog aardappeltjes en vlees”, zegt ze vrolijk. Hij begint wat in het dampende bord te roeren, en vangt dan aan, zuchtend en traag, maar vastberaden om die brede schouderpartij en dito borstplaten van nieuwe brandstof te voorzien. Het moet: straks wacht nog een rondje kracht, in de sportschool om de hoek.

Als kind was Jesse Puts (22) als de dood voor water. „Waren we in het zwembad, dan hing ik bij mijn ouders om hun nek.” Maar na het schoolzwemmen is die angst voorbij. Sterker: het jong heeft nog gevoel voor water ook, ziet een jeugdtrainster nadat hij is geslaagd voor zijn C-diploma. Tot zijn twaalfde zwemt Puts drie keer in de week, maar op de havo verkiest hij zijn huiswerk en de meisjes. Pas drie jaar later begint hij weer serieus te trainen.

In 2008 zwemt hij ineens de snelste 50 meter vrije slag van Nederland. Hij zal ook wel even Nederlands kampioen worden. Mooi niet. Puts is op het toernooi zijn zenuwen niet de baas.

Gaat hem niet meer gebeuren. Voortaan ligt hij dagelijks in het zwembad, en niet zonder resultaat: nationale sprintmedailles bij de jeugd volgen, vooral op de 50 meters – rugslag, borstcrawl, vlinderslag, noem het op. Van nature is hij explosief, niet de netste zwemmer van het stel, wel de vinnigste, onder water na de start, en na een keerpunt. Ongenaakbaar krachtig in de benen, zijn armen zijn net molenwieken.

Maar internationaal breekt hij niet door – die drie jaar pauze breekt hem nu op. Puts mist in 2012 het Europese titeltoernooi voor jeugd op een honderdste van een seconde. Hij zou er de 50 meter rugslag zwemmen. Op dat onderdeel haalt hij wel de EK-finale van Berlijn, maar daarin is hij ziek en wordt hij laatste. In 2015 mag hij niet naar de WK langebaan in Kazan – hij is tweehonderdsten te langzaam, centimeterwerk. En dit jaar komt hij op de 50 meter vrije slag driehonderdsten tekort voor de Olympische Spelen van Rio. „Dat doet nog steeds pijn.”

Hij wil olympisch goud

Het weerhoudt hem er niet van ambitieuze doelen te stellen: „Ik wil olympisch goud. En ik wil de eerste zijn die onder de 20 seconden zwemt op de 50 meter vrij.” Het wereldrecord staat op 20.26, gezwommen door de Fransman Florent Manaudou, twee jaar terug. Puts is daar nog een lichtjaar van verwijderd, hoewel hij dit jaar het elf jaar oude Nederlands record van Johan Kenkhuis verbeterde, en hoe: in drie stappen van 21,47 naar 21,05. Dat is een reuzensprong. Kenkhuis, aan de telefoon: „Het werd tijd dat er weer een echte 50-meterspecialist opstond.”

Een specialist is Puts, een liefhebber van de pure snelheid. Vindt hij cool, na de keerpunten krijgt hij een kick. En hij houdt van het krachthonk. 120 kilo squatten? Geen probleem. Maar dat wordt hem twee jaar terug afgeleerd op het nationale trainingscentrum van Amsterdam. Puts krijgt er het gevoel dat zwembond KNZB van hem een 100- en 200-meterzwemmer wil maken. Daartoe ligt hij langer in het bad, trekt hij aan minder gewicht en verandert hij zijn techniek. „Mijn rugslag heb ik naar de kloten geholpen, want mijn oude techniek ben ik helemaal verleerd.”

Na een jaar bondstraining zegt Puts gedesillusioneerd zijn kamer in de hoofdstad op en gaat hij terug naar zijn ouderlijk huis in de Rivierenwijk van Utrecht. „Mijn hart ligt bij de 50 meter.” Hij zoekt contact met zijn oude coaches uit Utrecht en Nieuwegein en belt de lokale sportschool of hij er weer kan komen trainen. Zijn sessies in het zwembad filmt hij met een kleine onderwatercamera – betere faciliteiten zijn er niet – en de beelden stuurt hij op naar de coach uit Utrecht die nu in Noorwegen woont. Feedback krijgt hij via Skype. Zijn krachtoefeningen stelt hij samen met iemand van de sportschool, evenals zijn eetschema. Atypischer ga je het op wereldniveau niet krijgen. Het lijkt primitief.

Maar zijn aanpak „voelt gewoon goed” en werpt bovendien vruchten af. Hij plaatste zich in oktober op eigen houtje voor zijn eerste WK kortebaan, dat dinsdag begint.

Maar de laatste drie weken ging het niet zo lekker met Puts. Al die tijd heeft hij last van zijn keel, een kriebelhoestje. Onderweg naar de studio van RTV Utrecht dacht hij genoeg te hebben aan een colbertje. Zijn moeder zegt het maar weer eens: „Als je uit dat warme bad komt, dan trek je een jas aan.”

Schuldbewust kijkt Puts naar beneden. Daar staat nog een half bord pasta. „Tsja”, puft hij. „Je kent mijn doelen.”