Column

Amerikaan in Amsterdam

FlessenpostSchrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd naar Princeton, in de VS. Ze bericht wekelijks over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De rossige vrouw naast me in het vliegtuig op weg naar Nederland is zenuwachtig. Ze ritst haar canvas reistas open en weer dicht en checkt voortdurend haar mobiel. „Ik ga voor het eerst naar Europa”, verontschuldigt ze zich en stelt zich voor. Gretchen, uit North Carolina.

Ze vertelt over de boottocht die ze gaat maken over de Rijn, langs kastelen en kathedralen. „We bezoeken Straatsburg, Keulen, Koblenz. Plekken waar ik als kind over hoorde van mijn Duitse grootmoeder naar wie ik vernoemd ben. Maar omdat mijn grootvader uit Nederland kwam, ga ik een dag eerder naar Amsterdam. Om zo veel mogelijk te zien.”

Veel Amerikanen koesteren de band met het land van hun voorouders. Ze sommen graag op waar hun wortels allemaal liggen. „Ik ben half-Iers, een kwart Engels, met een vleugje Zwitsers en Zweeds bloed.” Bijna niemand spreekt nog een van die talen, maar ze dromen ervan op een dag naar de magische Oude Wereld af te reizen. Vaak gaan ze met een georganiseerde groepsreis, waarin ze in een week het hele continent aandoen. Met bus en vliegtuig worden ze met hoge snelheid van de Eiffeltoren naar het Vaticaan en de Big Ben gestuurd. Zoals die Amerikaanse toerist die me in Rome vroeg welke dag het was. Ik kon niet laten te antwoorden: „U bent in Rome, dus het moet maandag zijn.”

„Deze reis doe ik mezelf cadeau”, zegt Gretchen. „Als beloning voor de opvoeding van mijn zoon die in september het huis verliet. Achttien jaar stond alles in het teken van hem. Dat was niet niks. En nu ben ik aan de beurt.”

Eindelijk kan haar droom in vervulling gaan. De Rijnreis is geheel verzorgd, ze hoeft zich nergens zorgen over te maken. Behalve over haar zoon. Redt hij zich wel zonder haar? Denkt hij er wel aan zijn medicijnen tegen astma te nemen? En vooral – ze huivert bij de gedachte – is hij niet eenzaam?

Haar dag in Amsterdam heeft ze tot op de minuut gepland. Het Rijksmuseum, het Van Gogh, het Begijnhof en, ze kan niet wachten, de Bloemenmarkt. Tussendoor poffertjes en als afsluiting rijsttafel.

„Het kan ook fijn zijn zomaar wat langs de grachten te wandelen”, opper ik nog. „Om gewoon een beetje te mijmeren.”

„Ik weet niet of ik daar wel tijd voor heb”, zegt ze.

Als haar koffer van de band rolt, vertrekt Gretchen naar de grote stad. „Kijk goed uit voor de fietsen en de trams”, roep ik haar nog na. Ze drukt haar tas stevig tegen zich aan. Haar verre zoon onder het aan-knopje van haar mobieltje. Ik houd mijn hart vast.

Zelf ga ik na aankomst op bezoek bij mijn eigen zoon. Hij woont voor het eerst op zichzelf, samen met twee vrienden. Hij slaapt onder een dekbed dat ik niet voor hem gekocht heb, maakt zijn eigen ontbijt klaar en vertrekt ’s ochtends op zijn oude fiets de stad in zonder dat iemand hem „voorzichtig zijn!” naroept.

Gretchen had gelijk. Het is niet niks om achttien jaar van dag tot dag het wel en wee van je kind te volgen en hem dan plotseling los te moeten laten. Dat hij onder de knop van je mobieltje zit, is maar een schrale troost.

Na het bezoek aan mijn zoon maak ik een wandeling langs de gracht. Om gewoon een beetje te mijmeren. Met schrik in mijn hart ontwijk ik ternauwernood een fietser die over de stoep rijdt.