Interview

Oudheden ophalen is verleden tijd

Martin Berger

Conservator Martin Berger van het Museum Volkenkunde ontmaskerde een ‘Mixteekse’ schedel als knutselwerk.

Martin Berger: „Vijftig jaar geleden kon een directeur zelf besluiten: dit is zo mooi, dit wil ik aankopen.” Foto Bob van der Vlist

De fotograaf wil graag dat hij dicht bij de vitrine gaat staan met de intussen beruchte ‘Mixteekse’ mozaïekschedel. Martin Berger, conservator Midden- en Zuid-Amerika van het Museum Volkenkunde in Leiden, is geamuseerd door alle media-aandacht en de stroom krantenstukjes met de strekking ‘topstuk blijkt nep’.

Hij heeft het onderzoek naar de authenticiteit van de schedel zelf gedaan. Zijn conclusie luidde: dit is niet het werk van 15de-eeuwse handwerkslieden, maar een ‘collage’ door een 20ste-eeuwse Mexicaanse tandarts van een oude schedel, oud turkoois en moderne lijm. Berger heeft een kleine tentoonstelling ingericht, ‘Topstukken onder de loep’, met de schedel en twee replica’s van Midden-Amerikaanse codices waaraan ook onderzoek is gedaan. „Dit past”, zegt hij, „in het museumbeleid om met nieuw ogen te kijken naar een oude collectie.”

Berger vindt niet dat zijn bevinding schadelijk is voor de goede naam van het museum. „Ten eerste is het vijftig jaar geleden dat we deze schedel hebben gekocht. Bovendien kon de toenmalige conservator niet weten dat dit een pastiche was. Hij had gewoon niet zo veel mogelijkheden tot zijn beschikking om dat te testen. We willen als museum eerlijk zijn over wat we in onze collectie hebben. En we willen laten zien dat we nog steeds onderzoek doen aan stukken die al heel lang bij ons zijn.”

De omstreden schedel is in 1963 aangekocht van de Amerikaanse kunsthandelaar Robert Stolper. Die beweerde dat het stuk dateerde uit de laat-postklassieke periode (1300-1521), maar hij kon geen documentatie overleggen van vindplaats of vinder. Berger: „Dat er geen opgravingsbewijs was, klinkt nu heel raar, maar dit was in de jaren 60 heel gewoon. Er werd in die tijd zoveel semi-legaal en illegaal opgegraven in Mexico dat niemand bijhield waar dingen vandaan kwamen.”

De toenmalige museumdirecteur Pieter Hendrik Pott (1918-1989), een Tibet-specialist, wilde de schedel per se hebben. Berger: „Hij was bezeten door dit object, hoorde ik van Tom Zuidema, mijn voorganger in de jaren 1960-’65. Pott vond het stuk uniek, maar hij was geen kenner en hij heeft ook Zuidema niet geconsulteerd. Blijkbaar kon een directeur vijftig jaar geleden zelf besluiten: dit is zo mooi, dit wil ik aankopen.”

Tegenwoordig is het aankoopbeleid strak georganiseerd. Berger: „We hebben een Commissie Collectiekwaliteit, met vertegenwoordigers van conservatoren, marketing en collectiebeheer. Een conservator die iets wil verwerven moet die commissie om advies vragen. Dat gaat naar het managementteam, dat er nog eens naar kijkt, en daarna besluit de directeur al of niet tot aankoop.”

Jonge conservators als Berger beheren in Nederlandse musea oude collecties. De geschiedenis van het Museum Volkenkunde gaat terug tot 1837. Toenmalige conservatoren verzamelden vast en zeker met veel enthousiasme, maar misschien ook met minder oordeelkundigheid.

Berger: „Voor een deel van de archeologische collectie gaat dat op. Reden te meer om onderzoek te blijven doen. Het geldt veel minder voor de etnografische collectie. Die stukken zijn vaak verzameld door mensen die woonden in de gebieden van herkomst en die waren misschien wel meer oordeelkundig dan ik.”

Het verzamelbeleid van het Museum Volkenkunde is de laatste decennia ingrijpend veranderd. Berger licht dit toe voor zijn eigen afdeling: „We kopen geen precolumbiaanse stukken uit Midden-Amerika meer. We hebben al een fantastische collectie, ik vind niet dat we daaraan nu nog tonnen moeten uitgeven. Ook omdat de manier waarop dingen zijn opgegraven vaak niet voldeed aan wetenschappelijke standaarden.”

Intussen is de Unesco-conventie ‘1970’ op de illegale handel in cultureel erfgoed van kracht. Die bepaalt dat musea niets mogen kopen of als schenking aannemen dat na 1970 het land van herkomst heeft verlaten. Is die van invloed geweest op het verzamelbeleid? Berger: „Ook zonder ‘Unesco 1970’ zou ik niet meer vol inzetten op precolumbiaanse stukken. Na de fusie met het Tropenmuseum en het Afrika Museum, twee jaar geleden, hebben we samen een verzamelbeleid geformuleerd dat meer is gericht op het heden: volkscultuur, mode, fotografie en design.”

Het museum is ook actief ‘in het veld’, maar niet langer als ‘blanke man in de jungle’. Berger: „Conservator Afrika Annette Schmidt heeft onder meer gewerkt in Djenné, de stad in Mali met die beroemde leemarchitectuur. Daar heeft ze samengewerkt met lokale metselaars en handwerkslieden die de traditionele leembouwtechnieken beheersen. Zij zijn ook in Leiden geweest. We laten hun zien wat we van hun volk, hun cultuur hebben; zij geven ons daar meer informatie over.

„Collega Cunera Buijs heeft foto’s die in de jaren zestig tot en met tachtig zijn gemaakt door onze vroegere conservator Gerti Nooter [1930-1998] teruggebracht naar Groenland. Ze heeft daar, in samenwerking met het Museon in Den Haag, een reizende tentoonstelling van gemaakt, zodat Inuit voor het eerst hun voorouders kunnen zien. We hebben laptops geschonken aan dorpen daar, zodat ze die fotocollectie op een website kunnen bekijken, afdrukken maken en mee naar huis nemen. We doen niet meer zoals westerse antropologen vroeger aan ‘bezoeken en beschrijven’, maar we proberen een museum te zijn waar we niet over mensen praten zonder henzelf erbij te betrekken.”