‘Importheffing 35 procent’

Verenigde Staten

Trump herhaalde zondag zijn verkiezingsbelofte over een hogere importheffing en haalde daarbij fel uit naar Amerikaanse bedrijven.

Donald Trump bezocht zaterdag een feest in New York. Foto Reuters

‘THE UNITED STATES IS OPEN FOR BUSINESS.’ Zo sloot de aanstaande Amerikaanse president Donald Trump zondag een reeks tweets af waarin hij zich richtte tot bedrijven die banen naar lagelonenlanden willen verplaatsen.

Bedrijven die denken dat ze fabrieken zonder consequenties kunnen verhuizen naar het buitenland, hebben het mis, twitterde Trump. Hij wil een hogere importheffing van 35 procent invoeren. Tijdens zijn campagne deed hij deze belofte ook al.

Voor wie wel in de VS produceert moeten regeldruk en belastingen juist „substantieel” verlaagd worden.

De tweets van Trump kwamen een paar dagen nadat hij de Carrier-fabriek had bezocht in Indiana, de staat waar aankomend vicepresident Mike Pence gouverneur is. De fabrikant van airconditioners wilde de productie verplaatsen naar Mexico, waar de minimumlonen flink lager zijn. Een deel van de banen blijft (tijdelijk) behouden, omdat moederbedrijf United Technologies belastingvoordeel ter waarde van 7 miljoen dollar krijgt van de staat Indiana.

The New York Times schreef zondag dat op deze manier banen behouden moeilijk vol te houden is. Een Amerikaanse president heeft volgens de krant „slechts beperkte middelen” om „wereldwijde economische krachten” tegen te gaan die ervoor zorgen dat bedrijven uitwijken naar lagelonenlanden. En omdat belastingen niet opgelegd kunnen worden aan een specifiek bedrijf, zal een hoge heffing een brede groep treffen en daarom „pijnlijk” zijn.

Het beschermen van de Amerikaanse arbeidsmarkt is een belangrijk verkiezingsthema van Trump. Hij spreekt er individuele bedrijven op aan. Eerder dit jaar liet hij weten Apple te willen dwingen de productie naar de VS te halen. Afgelopen vrijdag liet Trump zich uit over lopendebandfabrikant Rexnord, dat ook wil uitwijken naar Mexico. ‘No more!’, twitterde Trump.

    • Geertje Tuenter