Recensie

Het activisme trok een wissel op velen

De witte schrijfster Christine Otten schrijft een biografische roman over de de zwarte activist Robert F. Williams. Is dit culturele toe-eigening?

Poster door Emory Douglas gemaakt voor de Black Panther Party Foto Eric Risberg/AP

Christine Otten is een witte vrouw die in haar nieuwe boek schrijft over een zwarte man. Dat doet ertoe, zeker nu er een discussie is over het verschijnsel culturele toe-eigening: het verhaal vertellen van iemand met een andere culturele achtergrond. De aankaarters pleiten: schrijf niet wat je niet bent!

Maar fictie, zeggen de aangevallen romanciers, is bij uitstek de kunstvorm waarin je geheel en al de stem kunt laten horen van iemand die je zelf niet bent. Als we daarmee zouden moeten stoppen, kunnen we wel inpakken. Maar een onderdrukte (zwarte) minderheid tot personage nemen terwijl je in een bevoorrechte positie verkeert, is wéér geprivilegieerde (witte) machtsuitoefening, menen de aankaarters. De witte blik schemert toch door het verhaal heen. Daar komt bij dat boeken van witte schrijvers eerder worden uitgegeven dan die van zwarte schrijvers, waarbij ook vaak de roman van een witte op zijn literaire waarde wordt geschat, terwijl die van aan zwarte sneller ‘plotgericht’ of ‘antropologisch’ wordt geduid.

Binnen deze discussie van culturele toe-eigening vormt We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten (1961) de proef op de som. Tegen het empirische argument dat een boek van een witte auteur sneller wordt uitgegeven, valt in dit geval niets in te brengen. Maar in haar biografische roman over de zwarte Amerikaanse activist Robert F. Williams omzeilt Otten de gevaren van culturele toe-eigening volledig (al moet u dat van mij, wit, aannemen). Aan niets merkte ik dat het verhaal zou zijn gekleurd door Ottens perspectief, dat haar blik iets heeft vervormd, verdoezeld, dat ze iets heeft misverstaan of machtsverhoudingen bestendigt. Er staan geen stereotyperingen in, geen clichés, en als er al een wit personage in voorkomt, is die hoogstens een instrument voor het zwarte verhaal.

De kunde is te rijmen met de goede staat van dienst die Christine Otten op dit gebied heeft: ze schreef eerder de sociaal bewogen zwarte geschiedenis De laatste dichters (2004), over zwarte Amerikaanse rapper-dichters. Maar het is ook goeddeels te danken aan de achtergrond van deze roman: het leven van Robert F. Williams is leidend uitgangspunt, en Otten versimpelt zijn levensverhaal niet. Ze zit Williams niet direct op de huid, waardoor het geen rooskleurig verhaal van zijn activisme wordt, maar vertelt via mensen die dat verhaal met iets meer afstand bezien. Via mensen die dicht bij hem stonden: zijn zoon John en zijn vrouw Mabel. Want het is ook hún verhaal. Of niet? ‘Misschien is het dat wel wat me irriteert’, zegt John in het begin, ‘dat ik het nooit echt heb gezien als mijn verhaal’.

Dagboeken

Otten voert een (reëel bestaande) jonge studente op die een werkstuk wil maken over Williams en daarvoor John komt interviewen: ‘Hoe is het om de zoon te zijn van Robert F. Williams?’ Dat, en de overgeleverde dagboeken van moeder Mabel die net overleden is, brengt hem in 2014, het veelzeggende jaar waarin ‘Black Lives Matter’ groot werd, terug naar zijn herinneringen: met tijdsprongen brengt Otten verleden en heden bij elkaar.

Het is wél ook zijn verhaal, en was dat altijd al, zo sijpelt subtiel door Ottens woorden heen. Als kind kreeg John van zijn moeder al poëzie voorgelezen van de zwarte dichter Langston Hughes. ‘Ik hield meer van de avonturen die Hughes beschreef’, noteert John. Niet de poëzie over een leven onder het juk van beperkingen, maar de verhalen van mogelijkheden wil hij horen. Die verhalen waren er niet altijd. Het was noodgedwongen een leven van liefde én van wapens.

Dat weerspiegelt wat de roman ook wil vertellen: activisme was broodnodig en trok een enorme wissel op zowel de mensen die zich ervoor inzetten als op hun naasten.

Ottens taal ligt dichter bij de onopgesmukte non-fictie dan bij de schone letteren: wat taalkunst betreft biedt de roman weinig, het is een tikje vlak. Maar haar effectieve woorden zijn niet larmoyant, niet te uitgesproken om de ambivalentie onrecht aan te doen. Meer opsmuk zou Otten wellicht ‘verdacht’ gemaakt hebben. Voor dit verhaal zijn dit de goede woorden.