De stadsderby van Rotterdam is terug en de regio profiteert

Feyenoord-Sparta Na zes jaar heeft de eredivisie haar Rotterdamse stadsderby weer terug.

Jens Toornstra (R) van Feyenoord scoort de 2-0 tijdens de wedstrijd tegen Sparta. Uiteindelijk zou Feyenoord met 6-1 winnen. Foto Jasper Ruhe/ANP

Pim Doesburg kijkt vanuit de kantine uit over Varkenoord, het jeugdcomplex van Feyenoord. De schorre stem is onmiskenbaar, zijn haar zit nog in dezelfde stijl als vroeger. 73 jaar is hij, oud-topdoelman, Sparta-icoon met 471 wedstrijden, oud-keeperstrainer van onder meer Oranje en Feyenoord. Nog gezond en al 52 jaar getrouwd, voegt hij eraan toe. Doesburg is hier voor kleinzoon Pepijn (15), spits in de Feyenoord-jeugd bij de ‘onder zestien’, dat deze zaterdag Sparta treft. Een dag later gevolgd door de ontmoeting bij de profs – 6-1 zege voor koploper Feyenoord.

Ruim zes jaar moest Rotterdam het doen zonder Feyenoord-Sparta in de eredivisie. Door de terugkeer van de Kasteelclub op het hoogste niveau is de stadsderby, de enige van naam op profniveau in Nederland, dit seizoen in ere hersteld. Doesburg herinnert zich de beladen confrontaties uit de jaren zestig en zeventig nog scherp. „Hectisch, veel strijd, heel veel haat”, zegt hij. „Sparta en Feyenoord konden elkaar niet luchten of zien. Wij gingen niet naar Zuid, en Zuid kwam niet naar West toe.” Ook hij meed Zuid. „Alleen als ik tegen Feyenoord moest spelen kwam ik er.”

Elite

Die scheidslijn is van oudsher zo gegroeid, de elite aan de noordzijde van de Maas die neerkeek op de arbeiders en de boeren van Zuid. „Een secretaris van Sparta in de jaren zestig vertelde me eens dat hij uit principe niet naar de Kuip ging”, zegt Cees Zevenbergen, kenner van het Rotterdamse voetbal en auteur van het boek Rotterdams Voetbalglorie. Dat sportpaleis Ahoy, in 1971 geopend, werd gebouwd op Zuid, „vonden noorderlingen in die tijd ook niks”, zegt Zevenbergen.

Doesburg groeide op met Sparta, hij woonde vijf minuten van het Kasteel. Ieder thuisduel werd bezocht. „Mijn vader werkte in de haven in West, die kwam ook niet op Zuid.” Toch vertrok Doesburg uit onvrede over de Sparta-opleiding naar Feyenoord, hij keerde binnen zes weken weer terug omdat hij er niet kon aarden. In 1962, op zijn achttiende, speelde hij zijn eerste derby thuis tegen Feyenoord, rond de Kerst, er lag sneeuw op het veld, het Kasteel zat met 32.000 toeschouwers vol. Sparta won met 3-0. Doesburg: „Ongekende sfeer en rivaliteit.”

Die scherpe randjes zijn er al jaren af. Zondag voltrekt het duel zich in gemoedelijkheid. ‘Wie niet springt, komt van Zuid’, zingen de 1.200 Spartanen in het uitvak. Het Feyenoord-legioen maakt een parodie op de Sparta-mars: in plaats van S-P-A-R-T-A klinkt er S-P-E-R-M-A. Rond Feyenoord proef je dat ze het hun stadgenoot gunnen, de succesvolle terugkeer na in totaal negen seizoenen eerste divisie in de 21ste eeuw. „Vroeger zou dat ondenkbaar zijn”, zegt Zevenbergen.

Zaterdag, bij de jeugdvariant, zijn de derbygevoelens af en toe springlevend. Top van de jeugd in hun leeftijdscategorie, de nummers één (Feyenoord) en twee (Sparta). Oerkreten klinken bij het betreden van het veld. Als beurshandelaren schreeuwen ze tegen elkaar op. „Sparta!”, roepen de jonge Spartanen, gevolgd door het „Feyenoord!” van de thuisploeg.

Het is voetbal op z’n puurst. Een slecht veld met echt gras, een scheidsrechter met klassiek zwart broekje en snor en bril, vervallen dug-outs, ballen die over het hek vliegen in het struikgewas. Een rode kaart voor een Sparta-speler, opgewonden toestanden, de Sparta-bank die drie keer opvliegt na een discutabele beslissing. „Raak je m’n zoon aan, dan krijg je met mij te maken”, roept een moeder van een Feyenoord-speler na wat geduw en getrek. De Kuip baadt verderop in de winterzon, binnen handbereik, maar tegelijkertijd nog ver weg voor de jeugd.

De derby. „Dit leeft ontzettend”, zegt Paul Simonis, trainer van Sparta onder 16 (eerstejaars B). „Als wij een wedstrijd spelen is het vooraf in de kleedkamer gezellig, beetje kletsen. Maar als we tegen Feyenoord spelen, hangt er een heel andere sfeer. Het is doodstil. Ze zijn in een mum van tijd omgekleed. Ze vullen op eigen initiatief de bidons. Ze komen met specifieke vragen.”

De onderlinge wedstrijden hebben bij Sparta veel aanzien: de strijd tegen de grote broer – terwijl het voor Feyenoord een leuk tussendoortje is in een lang seizoen. Simonis: „Qua rivaliteit is voor Feyenoord het duel met Ajax het belangrijkst, voor ons is dat de wedstrijd tegen Feyenoord.”

Underdog

Richard Grootscholten kent de clubgevoelens van beide kanten. Hij is sinds dit seizoen hoofd jeugdopleiding bij Feyenoord en werkte in het verleden in dezelfde functie bij Sparta, waar hij ook technisch directeur was. „Vanuit de jeugd is Sparta altijd de underdog tegen het grote Feyenoord”, zegt hij „Automatisch is het zo dat Sparta er veel meer naar uitziet, ‘zou het ons een keer lukken’, dat leeft bij hen. De emoties zitten dieper bij Sparta, zij zijn altijd ongelofelijk gemotiveerd om Feyenoord te verslaan.”

Grootscholten is blij dat de derby weer terug is, het trekt het niveau in de regio omhoog. „De concurrentie tussen Feyenoord en Sparta stuwt elkaar enorm op. De ploegen uit de jeugdopleiding boksen tegen elkaar op, dat is voor ons ook goed.”

De jeugdwedstrijden tussen Feyenoord en Sparta, „zijn ongelofelijk speciale potjes”, zegt hij. In dit soort duels leren de jeugdspelers op volle inzet te spelen, onder druk en publieke belangstelling – voor in dit geval zo’n 300 toeschouwers.

Dringen in de vijver

De verhoudingen tussen de twee clubs zijn goed, maar in de vijver van het Rotterdamse voetbal is het dringen voor de toptalenten. „De scouting is een onderdeel waar het heel scherp is naar elkaar”, zegt Grootscholten. „Je zit acht van de tien keer naar dezelfde speler te kijken. In aantallen winnen wij het daar.” De talenten kiezen, vanwege de naam, vaak voor Feyenoord.

In Rotterdam en omgeving loopt het meeste talent van Nederland, zegt Grootscholten. De grond is hier heel vruchtbaar, zegt ook Simonis. De jeugdopleiding van Sparta floreert, in het eerste staan structureel drie tot vijf basisspelers uit de eigen jeugd. Veel toptalenten zijn de afgelopen tien jaar voortijdig weggeplukt – Jetro Willems, Anwar El Ghazi, Georginio Wijnaldum, Memphis Depay, Nick Viergever, Marten de Roon. Allemaal speelden ze in de Sparta-jeugd. Simonis: „Die jongens werden voor een prikkie opgehaald.”

In zijn ploeg is hij door de jaren heen vijf spelers kwijtgeraakt die nu bij Feyenoord, Ajax, PSV en Benfica spelen, vertelt hij. „Dat is heel lastig. Je moet opboksen tegen grotere clubs. Je merkt dat spelers daar gevoelig voor zijn. Dat is hun goed recht. Het was voor ons nog lastiger toen Sparta in de eerste divisie speelde, daar kijken spelers toch een beetje naar.”

Het geheim van het succes van de Rotterdamse kraamkamer? Grootscholten: „Het is heel divers en multicultureel. Een enorme pool van verschillende types, met jongens van Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse achtergrond. Qua lichaamsbouw verschillen zij soms van autochtone jongens, en qua mentaliteit brengen ze iets extra’s. Het is een heel grote mix van talenten die elkaar stimuleren.”

Bij de jeugd werd Feyenoord-Sparta overigens 2-2.