Wie je bent staat op je harde schijf

Spullen Ellen Deckwitz gaat het huis van stervende vriend R. ontmantelen. Alleen de harde schijf moet worden weggegooid.

Onlangs had ik een hamer op zak om aan iemands laatste wens te voldoen. R. en ik hadden altijd een goede band gehad. Als scheikundige had hij voor een speelgoedgigant gewerkt en hield hij zicht op de dichtheid van hun kunststoffen artikelen (wat blijkbaar een ding is in de speelgoedindustrie). Overdag hield hij zich bezig met het faciliteren van de fantasiewereld van kinderen, ’s avonds dronk hij om de zijne te kunnen behappen. Na decennia’s op shag, rode wijn en flensjes te hebben geleefd, was zijn lichaam zo mager dat zijn skelet een kapstok voor organen leek.

De een na laatste keer dat ik hem zag – ik dacht dat het de laatste keer zou zijn en zei dus alles wat je zegt om het maar gezegd te hebben – vroeg ik hem in het ziekenhuis wat er na zijn dood moest gebeuren. Zijn vriendin heeft reuma en omdat R. zelf geen naaste familie meer had, zou ik de ontruiming van zijn huis voor mijn rekening nemen. En ook die van hemzelf.

„Doe met mijn lichaam wat je wil”, zei hij meteen. „Wat het gemakkelijkst is, ik denk cremeren, I don’t care.” Ik vroeg waar de as verspreid moest worden. „Och”, zei hij, „Misschien dat mijn oudtante een paar gram wil hebben. Vul met de rest een zandloper ofzo.” Ik schreef het op en zei dat ik zijn spullen, nadat zijn vriendin had uitgezocht wat ze eruit wilde hebben, volgens afspraak zou veilen. De opbrengst zou naar een goed doel gaan.

„Dat was het? Anders nog?” zei ik. R. aarzelde even.

„Ik wil dat je nog iets voor me doet. Je hebt mijn huissleutel?” Ik knikte.

„Mooi. Ik kan het Anja niet vragen, die zou er nooit mee akkoord gaan. Ik wil dat je naar mijn huis gaat en de harde schijf uit mijn computer haalt. En die vernietigt.”

„Waarom?” vroeg ik, meteen ook een beetje in paniek. Had hij enge dingen op die schijf staan? Werkte hij niet voor niets in de speelgoedindustrie? Hij moest lachen.

„Ik heb gezorgd voor een back-up van mijn foto’s met Anja, mijn boekhouding, dingen voor mijn werk. Maar er staan ook documenten op de harddrive ik niet wil nalaten. Zaken die ik van me af heb geschreven, zaken waarvan ik niet wil dat iemand ze ziet. Foto’s, plaatjes, linkjes, jeweetwel. Herinneringen aan mensen, aan werelden die niet meer bestaan. Niets strafbaars”, voegde hij er met een knipoog aan toe.

Ik knikte en zei dat ik de schijf zou ophalen en formatteren.

„Nee, nee”, zei hij snel. „Je haalt hem op en slaat hem aan gort en brengt hem naar mij. Oké?” Het voelde even alsof hij me niet vertrouwde. Alsof ik de jager uit Sneeuwwitje was en haar hart moest terugbrengen om te tonen dat ze dood was. Meteen daarop bedacht ik dat R. me juist wel moest vertrouwen. Hij kon immers nooit weten of ik stiekem een kopie van die schijf maakte.

Die avond ging ik naar R.’s flatje. Ik had daar duizenden uren doorgebracht. Het rook er muf. Ik zette twee ramen tegen elkaar open en liep de woonkamer in.

Ik verwachtte dat het huis vanwege zijn afwezigheid leeg zou voelen, maar zijn woning leek vol vergeleken met mijn eigen appartement. R.’s persoonlijkheid schemerde door de spullen als licht door regen, een persoonlijkheid die des te sterker aanwezig was doordat het lichaam dat erbij hoorde, ieder moment kon verdwijnen. Wat niet wil zeggen dat R.’s woning een bende was: alles stond tot op de centimeter geordend in bakken en rekken: lp’s, cd’s, dvd’s. Een grote Lundia-kast bevatte foto-albums, de wanden waren bedekt met boekenkasten, in de hal hingen zijn diploma’s, ingelijst en wel.

Als je weet dat je een huis binnenkort moet ontmantelen, kijk je anders naar de ruimte. Er stond zoveel, het zou dagen kosten om alles in dozen te krijgen. Alles zou worden hergebruikt, niets hoefde weggegooid. Behalve zijn digitale bestaan.

Ik ging aan de slag, schroefde de kap los en ontwarde alle verbindingsdraadjes, de sondevoeding van ons digitale bestaan. Na wat geschroef hield ik de harde schijf in mijn hand. Groen met zwart, een stratenplan aan soldeersel.

Mijn woning voelde vreemd

Eenmaal thuis voelde mijn woning vreemd. Niet alleen omdat ik wist dat deze plek niet altijd van mij zou zijn – ik ben immers sterfelijk – maar ook omdat ik me er, sinds het bezoek aan R.’s woning, opeens scherp van bewust was dat het interieur iets over je zegt. Je inrichting is een mix van wie je bent en wat je wilt zijn. De hoogte van je stoelen, de kleur van de muren, benadrukken het eerste. Veel te ingewikkelde filosofieboeken, een zelden bespeelde piano en een reproductie van een doek van Paula Modersohn Becker benadrukken het laatste, en nemen de meeste ruimte in beslag. Je koopt dingen waarop je wilt gaan lijken. Je koopt waarvan je hoopt dat je het wordt.

Mijn woning is met de jaren leger geworden. Hoofdzakelijk omdat ik veel spullen digitaal heb: muziek, boeken, films. Geen foto’s aan de muur, want die staan allemaal op Instagram.

R.’s verzoek werd langzamerhand een stuk begrijpelijker. Ons intiemste bezit is onze computer. Mijn onopgesmukte persoonlijkheid past op een harde schijf van vijftien bij twintig centimeter. Daarop staan dingen waarvan ik houd, zoals boeken en films, maar ook zaken die bij me horen waarvoor ik me geneer: bepaalde soorten porno, de cookies van websites, het dwangmatig vastleggen van mijn leven.

Ik legde R.’s harde schijf op mijn salontafel en dacht aan een vriendin die archeoloog is. Zij was laatst aan het jubelen over de vondst van enkele gebruiksvoorwerpen uit het Stenen Tijdperk, waaruit ze afleidde dat onze voorouders al een soort sloten hadden. Hoe dichter we de 21ste eeuw naderen, hoe meer voorwerpen er zijn. De vintage winkels puilen uit. Hoe anders zal dat zijn in de volgende eeuw – de moderne mens laat juist steeds minder tastbaars achter (behalve een enorme carbon footprint). Wat als er ooit een grote stroomstoring komt en al het digitale wordt gewist? Alle foto’s, verhalen, maar ook alle wetenschappelijke kennis? Wat er overblijft zijn gedrukte boeken (maar de oplages gaan al achteruit), platen, films op dvd. Je eigen voorkeur, die uiterst persoonlijke potpourri van lievelingsfilms, beelden, kunst, vakantiefoto’s en liefdesbrieven, bewaard op een computer, is er dan niet meer. Wat we overhouden? Graffiti. Wat nu strafbaar is. Misschien waren rotstekeningen dat vroeger ook wel.

Met de hard drive en de hamer ging ik mijn balkon op. Kafka zei op zijn sterfbed dat al zijn werk vernietigd moest worden. Maar goed, dat was Kafka. Die nacht lag ik wakker. Ik was vast niet de enige die niet weet wat ze met iemands digitale nalatenschap aanmoest. Wissen en hergebruiken? Of ergens opslaan, allemaal bestanden bewaren die, laten we wel wezen, nooit meer zullen worden ingezien? De harddrive een urn voor het onstoffelijke? Vlak voor ik in slaap viel, had ik een heel mooie gedachte over R. en zijn harde schijf. Die gaf me een vredig gevoel.

De volgende ochtend herinnerde ik me alleen dat ik voor het slapengaan een hele mooie gedachte had. R. knikte. „Onze hoofden zijn soms een mausoleum voor mooie gedachten.” Dat is een geruststellend idee. Ik pakte R.’s hand. „Is het gebeurd?” vroeg hij hees. Ik knikte. Hij lachte. Hij is er geweest. Het zal onopgemerkt blijven.