Wat hij maakte moest tijdloos mooi zijn

Necrologie De gedreven architect Gunnar Daan (1939-2016) woonde aan de rand van het land voor ruimte, horizon en natuur. In de jaren 80 kreeg zijn werk nationale erkenning.

Architect Gunnar Daan, rechts rond zijn zeventiende, was later altijd aan het werk, zelfs (links) op vakantie in Italië.

Architect Gunnar Daan streefde in zijn werk naar tijdloosheid. Hij verzette zich tegen vluchtige modieusheid en weigerde zich te conformeren aan de smaak van het publiek. Dat kwam hem begin jaren negentig duur te staan. Terwijl een vakjury zijn ontwerp voor het Waagstraatcomplex in Groningen verkoos, stemde 84 procent van de Groningers voor het ontwerp van de Italiaan Natalini dat daarom de voorkeur kreeg.

Daan werd geboren in 1939 in het Noord-Limburgse dorpje Mook en Middelaar op de Plasmolen als een-na-oudste van acht kinderen. Zijn vader was longarts, zijn moeder, ook arts, bleef thuis. Het gezin woonde in de molen tot in 1944 Amerikanen kwamen waarschuwen dat de molen in gevechten met de Duitsers zou sneuvelen. Wapperend met een witte vlag verliet de familie het thuis.

Na omzwervingen vestigde de familie zich uiteindelijk in een palladiaans landhuis op een prachtig landgoed bij Deventer. Die plek was bepalend voor Gunnars liefde voor bouwkunst en landschap. In 1991 schreef hij in een prijswinnend essay: „Bouwkunst bestaat alleen als eenmalige werkelijkheid, bewoond en betrokken bij haar omgeving.”

Als kind al tekende en schilderde Gunnar mooi en graag, herinnert broer Serge zich. „Dat was een bijzonder talent. Daarnaast was hij ook nog eens technisch en praktisch.” Het was geen verrassing dat hij bouwkunde ging studeren in Delft.

Daar werd hij al snel verliefd op mede-student Els. Ze werd zwanger en dus trouwden ze, zonder huiver. Ze hielden veel van elkaar en zouden dat blijven doen. Met Els ging Gunnar wonen op een woonboot in Capelle tussen riet en fluitenkruid met bovenop een glazen atelier. In korte tijd kregen ze vier kinderen. Ze woonden er tot Gunnars drang de Randstad te verlaten de overhand kreeg. Hij had behoefte aan ruimte, horizon, natuur.

Hij vond een baan aan de hts in Leeuwarden en ze verhuisden naar een boerderij in Oosternijkerk, vlakbij de Waddenzee. Het sociaaldemocratische gezin viel op in het gereformeerde dorp. En Gunnar Daan viel op als hts-docent. Hij parkeerde zijn Harley Davidson voor de deur, liep met bemodderde laarzen door de geboende gangen en dronk liever koffie met kwajongens dan in de lerarenkamer.

In 1972 begon hij een eigen architectenbureau in het ‘poterhok’ bij zijn boerderij, een kas waarin boeren vroeger hun aardappels lieten spruiten. Hij werkte er eerst alleen, later met medewerkers. Ze lunchten in de boerderij met Els en de kinderen.

Medewerker Herman Nijholt: „In het poterhok leerde Gunnar mij het vak. Hij had daar een heel eigen methode voor. Eerst werd je zijn vriend, dan kreeg je angstaanjagend veel vertrouwen en dan moest je het maar uitzoeken.” Dat Gunnars werk voornamelijk bestaat uit woonhuizen verklaart hij als volgt: „Bij Gunnar ging alles langs de lat van vriendschap. Vriendschap komt het best van pas bij het ontwerpen van een woonhuis.”

Gunnar Daan was een zeer gedreven man die vond dat alles wat hij deed waarde moest hebben. Altijd was hij aan het werk, meestal als architect, maar ook in huis en tuin. Hoewel hij zich had teruggetrokken aan de rand van het land, hunkerde hij naar nationale erkenning. Die kwam er. In 1984 brak hij door met de bouw van woonhuis annex galerie Waalkens in het Oost-Groningse Finsterwolde. Daarna volgden meerdere grote projecten zoals het havengebouw aan de Oosterhaven in Groningen (1990), het gemeentehuis van Zuidhorn (1997) en het multifunctionele en duurzame bedrijvencentrum Crystalic in Leeuwarden. Dat laatste gebouw doet in lijnen denken aan een Friese stolpboerderij, maar is door zijn gigantische glaspartij groots en modern. Goede vriend en studiegenoot Gerrit Smienk: „Het gebeurt maar een paar keer in het leven van een goede architect dat je zoiets radicaals maakt.”

Gunnar Daan stierf op 77-jarige leeftijd als gevolg van kanker. Tijdens de uitvaartceremonie in de grote schuur van zijn kop-hals-romp boerderij fladderden vlinders terwijl tal van mensen spraken over de beeldbepalende na-oorlogse architect die hij was. Ten slotte gingen de schuurdeuren open en viel de herfstzon binnen. Zelf schreef hij in zijn essay van 1991: „De mensheid zal er van mooie gebouwen niet beter op worden en het geluk blijft vluchtig, maar blijvende schoonheid is een belangrijke troost.”