Opinie

Vertrouwen = interesse tonen + ruzie maken

Wie de eindjes aan elkaar moet knopen, heeft weinig aan de grote idealen van de elite, schrijft . „We moeten universele waarden verbinden met het alledaagse leven van gewone mensen.”

Het is een van de grote manco’s in onze samenleving: gebrek aan vertrouwen. Oud-D66-politicus Jan Terlouw maakte er terecht een thema van toen hij deze week in het tv-programma De Wereld Draait Door ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag zijn visie op de samenleving mocht geven.

Wantrouwen is, denk ik, ook het belangrijkste ingrediënt in de huidige kiezersopstanden in de westerse wereld. Voor een verklaring wijst men naar de elite. Deze zou zich hebben los gezongen van het volk, in haar eigen welvarende bubbel leven en niet zien wat zich daarbuiten afspeelt.

Dit verwijt heeft ruim gehoor gevonden. Velen herkennen zich erin; niet alleen degenen die zichzelf als slachtoffers van de elite zien, ook mensen die mogelijk tot die elite behoren. Maar wie vormt nu die elite? En wat is het in haar doen en laten dat het ongenoegen van zo velen oproept?

Wie probeert die vragen te beantwoorden, merkt dat het helemaal niet zo makkelijk is om de juiste antwoorden te vinden. Gaat het om de superrijken? Hoe verklaren we dan het feit dat de aanvoerder van het ongenoegen in de Verenigde staten zelf een schatrijke vastgoedmagnaat is?

Zijn het de mensen van aristocratische afkomst, opgeleid op elitescholen, die het superioriteitsgevoel met de paplepel ingegoten hebben gekregen? Hoe kon iemand als Boris Johnson in het Verenigd Koninkrijk dan een van de onbetwiste leiders in de Brexit campagne zijn, waarin het elite argument graag werd gebruikt?

Zijn het de plucheklevers, de beroepspolitici voor wie het werk voor de publieke zaak garant staat voor een duurzaam bovenmodaal inkomen? Waarom is Geert Wilders, in Nederland de leider van de oppositie tegen de elite, dan een van de langst zittende Kamerleden, die slechts een blauwe maandag buiten de politiek heeft gewerkt?

Gaat het om wereldvreemde estheten, opzichtige dandy’s, zelfgenoegzame intellectuelen? Pim Fortuyn, misschien de eerste politicus die het ongenoegen jegens de elite wist te mobiliseren, was het allemaal en hij werd erom vereerd.

Sociale verklaringen, met parameters als afkomst, inkomen, opleiding, cultureel kapitaal, helpen ons dus weinig verder als we de elite willen omschrijven van wie zoveel mensen zeggen een afkeer te hebben. Het gaat om iets anders. Maar wat?

Om daar achter te komen moeten we goed kijken naar op wie de leiders van de nieuwe populistische bewegingen hun pijlen richten. Dat zijn de bankiers noch de captains of industry, de oude adel noch het nieuwe geld. Het zijn wel journalisten, rechters, wetenschappers en sommige – ik zou zeggen meer traditionele – ambtenaren en politici.

Wat deze mensen verbindt, is dat ze allemaal regelmatig een beroep doen op abstracte begrippen: universele rechten, de wet, internationale verdragen, het algemeen belang of (godbetert) de waarheid. Met een oud begrip zouden we deze elite kunnen aanduiden als ‘intelligentsia’. De intelligentsia zijn niet alle hoogopgeleiden, maar diegenen die aan de lange termijn denken en verder willen kijken dan het eigen belang. Het is hun omgang met abstracties die de elite bij velen verdacht maakt.

Waarom schiet dit beroep op abstracties zovelen in het verkeerde keelgat? Het simpele antwoord is: omdat ze die manoeuvre niet kunnen volgen. Hoewel, dat antwoord is niet onjuist, maar zegt tegelijk ook niet genoeg.

Er zijn tijden geweest dat de intelligentsia door de bevolking breed werden vertrouwd, dat de elite de leiders van de oppositie leverde.

Eén oorzaak van de omkering ligt in de intellectuele wereld zelf. De twintigste eeuw was intellectueel gezien de eeuw van de kritiek. Marx, Nietzsche en Freud (ze worden de ‘vaders van het wantrouwen’ genoemd) hebben denkbewegingen voortgebracht die leerden dat achter mooie idealen en hoge waarden vaak heel banale motieven schuilgaan: klassenbelangen, wil tot macht, fysieke driften. Die kritiek was in zijn tijd nodig en terecht, maar is intussen doorgeslagen. Niet alle beroep op abstracties is verkeerd. Ook Marx, Nietzsche en Freud bedienden zich ervan. Het gaat om het gebruik dat je ervan maakt. Die nuance lijkt vandaag zoekgeraakt.

Dat brengt me bij een volgende reden dat abstract redeneren zijn aanzien heeft verloren. Tegelijk met de kritiek op hoge waarden heeft zich in de samenleving een ideologie verbreid die geheel uitgaat van het eigen belang. Je kunt hem vele namen geven: consumentisme, economisme of kapitalisme. Het komt erop neer dat de markteconomie wordt beschouwd als de oplossing voor (bijna) alle maatschappelijke kwalen en dat deze economie het best gedijd als iedereen ongeremd het eigen belang nastreeft.

Ook velen in de politiek – van rechts tot links – hebben zich deze denkwijze eigen gemaakt. Het algemeen belang wordt door hen consequent herleid tot het eigenbelang.

Is het vreemd dat mensen dan geen geloof meer hechten aan een intelligentsia die aandacht vragen voor thema’s die het eigen belang overstijgen? Jan Terlouw maakte nog eens goed duidelijk hoe schadelijk dit gebrek aan vertrouwen is voor de ontwikkeling van onze samenleving. Grote projecten zoals de strijd tegen klimaatverandering dreigen te stagneren omdat nog maar weinig mensen warm lopen voor de publieke zaak.

Ten slotte zie ik nog een reden voor het verlies aan status van de intelligentsia. De boze burger heeft gelijk: de intellectuele elite heeft zich losgezongen van het volk. Nog niet zo lang geleden, misschien een eeuw, zaten ze overal, mensen die verder dachten dan het eigen belang op de korte termijn. De elite bestond uit een kleine groep waarin vooral afkomst telde. Qua intellectuele vaardigheden onderscheidde zij zich nauwelijks van het volk. Numeriek waren er veel meer mensen met een helder verstand onder het volk dan onder de elite. Je kwam ze dus tegen in de familie, in de kerk, op het werk, op de school van de kinderen, in de buurtwinkel.

De meesten waren niet hooggeschoold, maar hun intellectueel talent was voor hun omgeving onmiskenbaar en mensen profiteerden ervan. Natuurlijk leidde het ook tot conflicten. Maar dat hield de gemeenschap dynamisch.

De emancipatiebewegingen van de tweede helft van de twintigste eeuw hebben aan die situatie een einde gemaakt. Bijna iedereen met intellectueel talent hebben zij via het onderwijs een pad opgestuurd dat hen op betere posities in de samenleving bracht. Zij zijn daar eigen gemeenschappen gaan vormen die afgescheiden raakten van de gemeenschappen waaruit zij afkomstig waren.

Hun emancipatie betekende voor degenen die zij achterlieten een aanzienlijk verlies. Die raakten hun raadgevers en voorlieden kwijt, terwijl de samenleving intussen steeds complexer werd.

De boosheid van veel kiezers op de elite komt niet alleen voort uit sociale tegenstellingen. Daarvoor is die woede te selectief. De diepste kern ervan is een gevoel van ‘in de steek gelaten zijn’.

Dat geeft een andere kijk op hoe deze woede te beantwoorden. De boze burger naar de mond te praten zal niet helpen. Het dumpen van algemeen belang, universele beginselen en de waarheid – het zal alleen de chaos vergroten. We moeten abstracte denkpatronen verbinden met het alledaagse leven van gewone mensen.

Dat is geen gemakkelijke opgave. Het betekent: onderduiken in dat leven, je er echt voor interesseren. Het houdt ook in: tegengas geven, ruzie maken, emotie tonen. Net zoals dat op het hoogtepunt van de emancipatiebeweging tussen ouders en kinderen gebeurde. De emotie komt nu maar van één kant. (Denk aan de debatten tussen Trump en Clinton.) Dat werkt niet. Het stookt het vuur bij de boze burger alleen maar op.

De boodschap van de intelligentsia is vaak veel te abstract. Er moet vlees op dit geraamte komen. Daarvoor is menselijk contact nodig, zowel op het niveau van het hoofd als dat van de onderbuik. We moeten het vertrouwen in elkaar herwinnen, zoals Terlouw bepleitte.

Terlouw deed vooral een beroep op de integriteit van politici. Ik vind dat nog rijkelijk abstract. Meer concrete maatregelen zullen ook nodig zijn. Ik begrijp de mensen wel die schamper doen over grote idealen, omdat ze in het leven van alledag er niet in slagen de eindjes aan elkaar te knopen. De uitdaging is die twee niet tegen elkaar uit te spelen. Het algemeen belang vraagt erom dat we ze bij elkaar brengen: passie voor de toekomst en compassie voor het alledaagse.