Commentaar

Knutselcoalities als model

Grensoverschrijdende gelegenheidscoalities tussen Tweede Kamerfracties zijn sinds 2012 de nieuwe trend in politiek Den Haag. Deze week signaleerde NRC een hausse aan pragmatische wetgevingsinitiatieven vanuit het parlement. Wat ooit een „monsterverbond” heette, is nu een normaal verschijnsel. Het gaat bijvoorbeeld om regeringspartij PvdA die samen met de oppositiepartijen SP en CDA wil dat het tijdelijke verbod op winstuitkeringen voor zorgverzekeraars permanent wordt. Ander voorbeeld: fractievoorzitter Diederik Samsom (PvdA) die met zijn collega Alexander Pechtold van oppositiepartij D66 voorstelt om mensen met een bijstandsuitkering meer te laten bijverdienen. De PvdA is met 38 van dit type initiatieven kampioen coalitieknutselen.

Dat soms zeer tegenovergestelde partijen met elkaar samenwerken is kenmerkend voor de Nederlandse politieke cultuur: om meerderheden te krijgen voor moties en amendementen, werven Kamerleden voor de handtekeningen van zoveel mogelijk fracties. Maar dat bij verdergaande initiatieven partijen van uiteenlopende politieke signatuur een verbond sloten, was niet lang geleden nog vrij uitzonderlijk. Zeker als een van de initiatiefnemers een regeringspartij was en „vreemd ging” buiten de coalitie, kon dat zorgen voor spanningen. Maar dit VVD-PvdA-kabinet kon tot stand komen mede dankzij de steun van de ‘constructieve drie’, D66, ChristenUnie en SGP. Gelegenheidscoalities zitten in het DNA van Rutte II.

Mogelijk is dit het antwoord van de Tweede Kamer op de politieke versplintering. Dat is immers een structurele kwaal van het Nederlandse bestel. De Tweede Kamer werd decennialang gedomineerd door drie tamelijk monolithische volkspartijen, CDA, PvdA en VVD. Die zorgden voor een relatief stabiel politiek klimaat: in de twintig jaar tussen 1982 en 2002 telde Nederland vijf kabinetten. Maar de volkspartijen zijn verbrokkeld: de 150 Kamerzetels zijn nu over 17 fracties verdeeld. Gevolg van die verkruimeling was instabiliteit – zie de vijf kabinetten tussen 2002 en 2012.

Parlementaire fragmentatie heeft ook alles te maken met de ontideologisering van de politiek: partijen opereren minder vanuit gedeelde overtuigingen en meer op basis van, wisselende, gedeelde belangen en doelen. Tegen een achtergrond van slinkende achterbannen, erosie van gestaalde kaders en partijkrimp vindt politieke machtsvorming nu kennelijk haar weg via pragmatisme. Als dit een vorm van stabiliteit oplevert is dat winst. Leidt het tot verlies van herkenbaarheid, dan betaalt de kiezer een hoge prijs: hij weet minder dan ooit wat ‘zijn’ partij zal doen. Dat is funest. Uiteindelijk is een herschikking van het politieke landschap onontkoombaar.