Juist objectief zoeken naar de feiten wekt wantrouwen

Bij mij thuis (1960) was vroeger ook alles heel vertrouwd, maar er hing geen touwtje uit de brievenbus. Integendeel, met schrik in de benen gingen we de straat op, in de nieuwbouw van Rotterdam-Zuid. Omdat je nooit wist achter welke heipaal ‘kwajongens’ van andere denominaties zouden opduiken om je een dreun te verkopen. Ik herinner me een witbeknokkeld gevecht op het schoolplein waarbij een keukenmes langs vloog. Toch betaal ik al jaren wildvreemden met mijn creditcard.

We fluisterden elkaar trouwens ook nog niet toe ‘bedrijf de liefde, niet de oorlog’, we speelden Stalingrad na.

Ik wil maar zeggen, vertrouwen? Jan Terlouw raakte een nationale snaar met zijn hartenkreet op televisie, ook NRC trok er gisteren twee pagina’s voor uit. Slotsom: feitelijk klopte het misschien niet wat Terlouw zei, maar hij verwoordde wel de ‘gevoelstemperatuur’ van de samenleving: een gevoel van verlies en wantrouwen. De media zouden dat aanjagen: „Publieke opinie en media praten elkaar een donker gat in”, aldus onderzoeker Paul Dekker.

Dat stemt tot nadenken. Wat de diagnose betreft: frappant aan deze tijd, vergeleken met Terlouws jaren zestig, lijkt mij als betrokkene (of gedupeerde) vooral het uit elkaar groeien van het gevoel van individuele en collectieve vooruitgang. Die twee gingen destijds tamelijk gelijk op – iedereen kreeg het na de loonexplosie van 1963 elk jaar beter – maar lopen nu al jaren flink uit elkaar: met mij gaat het goed, maar de samenleving gaat naar de bliksem.

Spelen de media daar een rol in? Vast. NRC-redacteur (en socioloog) Dick van Eijk schreef vorig jaar een interessant stuk in het tijdschrift De Republikein over de effecten van „emotionele globalisering” in de media. Een bloedbad in een winkelcentrum of op een school ver weg komt ook hier nu ‘keihard binnen’. Dat zet maatvoering onder druk. Groot nieuws – en dat is meestal slecht nieuws – wordt over vele pagina’s of in extra uitzendingen uitgemeten en herhaald.

Neveneffect, schrijft Van Eijk: kijkers en lezers worden meegezogen in een „permanente maalstroom van emotionele verontrusting” waar ze zelf niets aan kunnen doen. Onmacht steekt dan de kop op, en woede. Dat is niet ‘de schuld van de media’, het is een teken, of symptoom, van globalisering.

Dat effect treedt nog sterker op in een gepolariseerde tijd, waarin ideologische oorlogvoering de boventoon voert en je soms de indruk krijgt dat gedeelde feiten of ‘fact checks’ als ratelende leprozen achter de feitenvrije opinies aansjokken. Dáár krijg ik veel post over van lezers die heftige opinies moe zijn en vooral hunkeren naar ‘de feiten’.

Hier en daar klinken, als remedie, wel pleidooien voor ‘constructieve journalistiek’, berichtgeving die niet alleen problematiseert maar ook mogelijke oplossingen aandraagt – wat nog iets anders is dan een ‘goednieuwsshow’. Een site als De Correspondent zoekt soelaas in verhalen achter het dagelijks nieuws, waarin ook wereldwijde ontwikkelingen ten goede worden benadrukt.

Van Eijk ziet deze mogelijke uitweg: het bouwen van ‘gemeenschappen’ van burgers die niet zozeer locatie of woonplaats gemeen hebben, maar bepaalde interesses en betrokkenheid. Ik zou zeggen: eigenlijk zoiets als het abonneebestand van een krant die wél hecht aan maatvoering en die zich richt op, wat was het ook alweer, mensen die „bereid zijn na te denken” of „de nuance zoeken”. Klinkt niet erg eigentijds – maar is het misschien des te meer.

Dat betekent niet dat ‘mainstream media’ – of ‘elitaire media’ – ‘neutraal’ zouden moeten zijn, zoals critici ervan graag eisen (meestal juist om hen te dwingen partij te kiezen, de hunne). Integendeel, een pluriforme samenleving kent linkse, rechtse, christelijke en andere media. Kranten hebben een historie, een eigen karakter, maatschappelijke positie en prioriteiten. Ja, goed, De Telegraaf noemde zich lang ‘neutraal’.

Voor deze krant zijn dat, volgens de Beginselen, liberalisme, pluralisme en verdediging van de constitutionele rechtsorde. Niet neutraal dus, maar wel objectief oftewel eerlijk en evenwichtig. Dat wil zeggen: in de dagelijkse berichtgeving zonder voorkeur de waarheid zoeken, meningen van feiten scheiden en die niet uit ideologie verdraaien.

Een voorbeeld: een lezer vroeg zich af waarom de krant ‘alt(ernative) right’ in Amerika niet „gewoon” neonazi’s noemt. Zie het filmpje van een optreden van hun voorman Richard Spencer, waarin „heil Trump” wordt geroepen en aanwezigen de Hitlergroet brengen.

Dat speelt ook in Amerika zelf. Zowel The Washington Post als Associated Press gaf er een richtlijn over uit: wel de term gebruiken, maar omschrijven waar die voor staat: wit suprematie-denken.

Dat lijkt me de correcte aanpak. Ze noemen zichzelf nu eenmaal ‘alt right’, en zijn het er trouwens ook zelf niet over eens wie er precies bij hoort.

Beschrijven gaat dan vóór oordelen; ook een les voor een stukje op nrc.nl, waarin een twistgesprek tussen Spencer en een interviewer werd aanbevolen – met onversneden sympathie voor de laatste – onder de kop Zwarte journalist zet alt-right Richard Spencer op z’n plek. Kan in een column, maar niet in een stuk dat vooral moet signaleren.

Ook puur beschrijven is trouwens geen wondermiddel, want ook, of juist, objectiverende verslaggeving is nu mikpunt van wantrouwen. Objectiviteit zou immers ‘onmogelijk’ zijn, feiten staan altijd in een ‘frame’. Dat is de ironie van de moderne ideologische mediakritiek: die eist neutraliteit, maar gaat er tegelijk vanuit dat die onmogelijk is.

Juist daarom kan het verschil tussen neutraliteit en objectiviteit helpen: ja, iedereen spreekt vanuit een eigen positie en historie, maar dat betekent nog niet dat iedereen zijn eigen feiten heeft. Met een eigen accent van een krant is niets mis, wél met een krant die andere accenten niet meer herkent.

Reacties: ombudsman@nrc.nl