Column

Dit is een tijd van grote vragen, die we jaren niet hoefden aan te snijden

Deze week: hoe Trump en Wilders Den Haag voor grote en pijnlijke vragen stellen.

Ofwel: moeten wij niet praten over zaken als de schaduwzijde van het kapitalisme en de onbelemmerde internetvrijheid?

Trump is gekozen, Wilders wordt mogelijk de grootste. Dit is geen tijd meer voor gesprekken over procenten en andere details waarin Den Haag gewoonlijk goed is. Dit is een tijd voor grote vragen.

Grote vragen over de liberale orde die we al decennia voor vaststaand aannemen.

Ik bedoel dus niet de gemakkelijke vragen. De vragen die al zolang meegaan – de integratiediscussie, de radicale islam, de marktwerking bij de overheid, etc.

Ik bedoel de schurende vragen. In de Amerikaanse pers las ik deze week over het afnemend geloof van jongeren in de democratie. Over het internet als bedreiging voor de democratie.

Dat soort vragen. Over het kapitalisme, de vrijhandel, de EU, de NAVO: over de grondslagen van de liberale orde.

Ik weet het: je kunt de opkomst van Trump en Wilders op tientallen manieren verklaren. Maar aanhangers van de huidige orde zijn zij niet, hun kiezers ook niet, en dus moet iedereen zich, lijkt me, pijn durven doen om de gebreken van die orde te doorgronden.

Den Haag reageert, zoals altijd in dit soort omstandigheden, langzaam en defensief. Eerst zien. Klein houden. Hopen dat we de vaart eruit krijgen. Het is logisch, maar evengoed ongemakkelijk.

Ik zal een voorbeeldje noemen. Volgende week vrijdag wordt bekend, in die volgorde, of PVV-leider Wilders wordt veroordeeld wegens ‘minder Marokkanen’, en wie – Samsom of Asscher – is gekozen tot de nieuwe PvdA-leider.

Wilders is wereldnieuws, dus elke eerstejaars in de voorlichting weet: geen beste dag om te gaan pronken met de (nieuwe) PvdA-leider.

In de PvdA werd daarom deze week overwogen de bekendmaking van de (nieuwe) leider te verplaatsen naar een andere datum.

De uitkomst: dat zal niet gebeuren, de partij wenst niet af te wijken van eerder gemaakte afspraken.

Doorgaan op de oude voet, omdat je verder ook niet weet hoe het moet.

Of je laat D66-nestor Jan Terlouw een pleidooi tegen wantrouwen houden op televisie. Zeggen dat het vroeger beter was. Als ik de reacties goed begrijp voelt vooral het verlangen naar het brievenbustouwtje enorm goed.

Maar het manco is: het is de taal van de bestaande orde; niet van de mensen die zich daartegen keren.

Je ziet dit ook bij linkse hoog opgeleiden en De Kloof: zij praten daar enorm graag over.

Maar mensen aan de verkeerde kant van die Kloof gebruiken dit woord nooit. Die hebben het, ik weet dit uit Woerden, over de mantelzorg voor moeder, het eigen risico, de zakkenvullers, verkrachters in Keulen of de vluchtelingenopvang een dorp verderop.

Dat is het ingewikkelde aan dit gesprek: je kunt het hebben over ‘het wantrouwen’ verminderen dan wel De Kloof aanpakken, want die verschijnselen bestaan, maar voor de verontruste burger zijn dat hooguit symptomen: die mensen hebben andere sores.

En om die sores op te lossen moet je, vrees ik, die grote vragen dus durven stellen.

Eén voorbeeld. Het internet is binnen twee decennia dominant in ieders leven geworden. Je kunt zeggen: een nieuw bewijs van de innovatieve kracht van het kapitalisme. Vrijheid en vooruitgang.

Maar al langer rijpt het inzicht dat ditzelfde internet ons leven kleiner en beklemmender maakt.

Sociale media, vooral Facebook, verdelen ons in subgroepen om adverteerders te bedienen, nieuws en informatie zijn daarvoor hulpmiddelen, en zo belanden we allemaal in eigen echokamertjes van gelijkgestemden.

Mijn oog viel deze week op een stuk in New York magazine, geschreven door een oud-hoofdredacteur, Max Read, van de hondsbrutale website Gawker (die inmiddels van de markt is). Read documenteert nu voor New York wat de tech-industrie voor nieuwe media betekent, en zijn analyse wint al geruime tijd aan somberheid.

Deze week schetst hij hoe de onbegrensde vrijheid van het internet de democratie bedreigt.

Dit gaat lang niet alleen om het nepnieuws, dat tijdens de Amerikaanse campagne via Facebook het reguliere nieuws versloeg.

Dit gaat ook om de Russische regering die met een eigen leger van trollen propaganda verspreidt en oppositiestemmen besmeurt: een techniek die ook de VS heeft bereikt.

Hij wijst op de „insinuaties en samenzweringstheorieën” die deel van het gewone nieuws werden door de gehackte e-mails van Democraten, verspreid via Wikileaks.

Hij wijst erop dat journalisten die in de campagne kritisch over Trump waren, online werden gestalkt door pro-Trump-trollen, terwijl elke Trump-tweet geprezen werd door een brigade van pro-Trump-bots.

Hij wijst op shitposting (waardeloze informatie posten) als politiek instrument.

Hij wijst erop dat venijn en onderdrukking de sociale media nu domineren.

Bottomline is volgens hem dat de tech-industrie de openbare ruimte volledig heeft ontregeld en „niet de belangstelling of het vermogen heeft dit te herstellen”.

Anders gezegd: moderne techniek keert zich tegen de politiek en de democratie - allemaal omdat wij geen vragen aandurven over begrenzing van internetvrijheden.

Er zijn meer beangstigende berichten. The New York Times schreef deze week over Yascha Mounk, bestuurskundige op Harvard. Afgaande op studies in de VS, Latijns-Amerika en Europa constateert hij dat onder jongeren de onverschilligheid over de democratie groeit.

Stel je oudere Amerikanen bij voorbeeld de vraag of zij het goedkeuren dat de krijgsmacht de leiding overneemt wanneer de burgerregering incompetent is, dan keurt 43 procent dat onder alle omstandigheden af. Onder millennials is dat nog slechts 19 procent.

In Europa is de verhouding 53 procent (hele bevolking) en 36 procent (millennials).

Nederland wordt in het stuk ook genoemd, maar ik merkte dat onderzoekers hier veel minder gealarmeerd zijn. „Het is verontrustend, maar de omvang van de trend is hier erg klein”, vertelde me bij voorbeeld Dimiter Toshkov van de Universiteit Leiden.

Er staat tegenover dat een rechtse politiek strateeg me deze week als eerste op dit stuk wees. Hij mailde het me vergezeld van de eerste regels van Rules for radicals van de Saul Alinsky, het Amerikaanse standaardwerk voor het organiseren van een volksopstand:

„De massa is volledig gedesillusioneerd met de status quo. Ze weten niet wat de oplossing is; alleen dat het huidige systeem niet meer voor hen opkomt.”

Er komt veel op de wereld af, ook op onze wereld, en zoals we uiteindelijk niet om vragen over internetvrijheid heen kunnen, zo geldt dat ook voor vragen over andere schaduwkanten van het kapitalisme.

Internationale (handels)afspraken die westerse democratieën de laatste decennia met de beste bedoelingen maakten, en die uitstekende economische resultaten opleverden, hebben het in zich dat ze zich nu tegen de democratie zelf keren, en dat vergt politici die elke discussie aankunnen.

Niemand weet wat Trump met Le Pen, Orbán of Wilders doet. Niemand kan redelijkerwijs voorzien hoe hij zich tegenover de NAVO, de EU en de euro verhoudt. Maar ook op die gebieden geldt dat Europese politici op elke variant voorbereid moeten zijn.

Het zou tegelijk volmaakt onbillijk zijn van Nederlandse politici te verwachten dat zij dit even allemaal aansnijden en oplossen. Daarvoor is dit veel te groot.

Waar je wel vragen bij kunt hebben is het totale zwijgen hierover, althans in het openbaar. Politiek is ook agenderen.

Zoals bekend is uiteindelijk redelijkheid, niet radicaliteit, de traditionele kracht van dit land: Jan Terlouw maakte begin jaren tachtig naam in de politiek met de slogan ‘het redelijk alternatief’.

Ondanks alle redelijkheid, bij Terlouw en anderen, mankeert het evengoed al jaren aan het vermogen bij hoger opgeleiden om zich te verplaatsen in de rest van het land.

Dat is niet zozeer een Kloof, dat is, in alle redelijkheid, vooral een tekortkoming die hoger opgeleiden zichzelf toestaan.

Dus misschien moeten vooral zij ophouden die Kloof of dat wantrouwen telkens te benoemen: misschien moeten zij zich deze tekortkomingen een keer zelf aantrekken, om opstand te voorkomen, en om oplossingen dichterbij te brengen.