De smaak van Hitler

Nazi-kunst De kunst die de nazi’s mooi vonden („oude meesters”) en de kunst die ze verafschuwden („onnatuurlijke kladden en vlekken”) zijn bijeengebracht op één tentoonstelling in Bochum.

Alexej von Jawlensky, ‘Mädchenbildnis’, 1909 Foto Horst Kolberg / ARTOTHEK

Dit is wat er gebeurd is. Duizenden uitgemergelde lichamen in een massagraf, op elkaar gesmeten als oude vodden. De meesten zijn naakt, sommigen dragen nog de gestreepte kleding van het concentratiekamp. De bevrijders van Bergen-Belsen lopen in april 1945 vol ongeloof over de menselijke afvalberg. Met hun leren laarzen banen ze zich schuifelend een weg tussen de knokige ledematen.

Het eerste beeld op de tentoonstelling Artige Kunst, over kunst die gemaakt is tijdens het naziregime, is haast te gruwelijk om te bekijken. In de nauwe entreezaal word je direct met je neus op de rauwe feiten gedrukt. Zwart-witfoto’s tonen de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog: de platgebombardeerde steden, de slachtoffers van de Holocaust. Die heftige confrontatie is bewust zo gedaan, zegt samensteller Alexander von Berswordt-Wallrabe. „Zodat niet mis te verstaan is wat onze intentie is met deze tentoonstelling.”

Gewillige kunst

Het onderwerp van Artige Kunst – de titel zou je kunnen vertalen als ‘gewillige kunst’ – is een taboe. Beelden en schilderijen die de nazi’s mooi vonden, hoor je niet te tonen. Ze zijn er nog wel, diep weggestopt in het depot van het Deutsches Historisches Museum in Berlijn bijvoorbeeld. ‘Unkunst’, zo noemen Duitse kunsthistorici deze werken, die vaak door Adolf Hitler zelf zijn aangekocht. Het is kitsch, propaganda, en mag de naam kunst eigenlijk niet dragen.

Toen Alexander von Berswordt enkele jaren geleden met zijn tentoonstellingsconcept aanklopte bij musea in Berlijn en München, de plek waar Hitler zijn favoriete kunstwerken eind jaren dertig exposeerde, stuitte hij op een muur van verzet. „Ze zeiden dat het te gevaarlijk was, dat het not done was.” Het Wroclaw Museum in Polen, waar de tentoonstelling ook te zien zou zijn, trok zich eerder dit jaar plotsklaps terug en ontsloeg zijn directeur. „Niet omdat we werken tonen die nazi’s mooi vonden, maar omdat we ze kritisch benaderden.” Nu is Artige Kunst de eerste tijdelijke tentoonstelling in het door Von Berswordt zelf opgerichte Museum unter Tage in Bochum. Daarna reist de expositie door naar Rostock en Regensburg.

Op tentoonstellingen over kunst in de oorlogstijd ligt de nadruk vaak op ‘entartete Kunst’, de ‘ontaarde’ moderne kunst die niet aan de eisen van de nationaal-socialisten voldeed omdat zij te abstract was, of te expressionistisch. Maar het is ook belangrijk om de smaak van de nazi’s te laten zien, vindt Von Berswordt. „Juist in deze tijd van het opkomend rechts-populisme van Trump, Wilders en de Duitse partij AfD wil ik laten zien hoe fascistische beeldtaal werkt. De beelden van dictatoriale regimes zijn altijd hetzelfde. Het zijn instrumenten om het publiek te manipuleren. Je kunt ze alleen ontmaskeren door ze te tonen.”

Oude meesters

Welke kunst Hitlers goedkeuring had, was in 1937 te zien op de eerste Grossen Deutschen Kunstausstelling (GDK) in het Haus der Deutschen Kunst in München. In een toespraak op de opening legde Hitler het kunstbegrip van het nationaal-socialisme uit: „Juist de oude meesters staan het meest nabij het Duitse en dus het meest natuurlijke deel van ons volk… Maar hoe ver zijn de oeuvres en de werken van deze mannen verwijderd van de pathetische kunstpraktijken van veel van onze zogenaamde moderne kunstenaars, met hun onnatuurlijke kladden en vlekken.” Echte Duitse kunstenaars volgden de academische traditie. Landschappen, stillevens, portretten en genrestukken waren favoriete thema’s in het Derde Rijk. Vernieuwing was uit den boze. Kunst moest het verleden verheerlijken en loyaal zijn aan het vaderland.

Lees verder na de afbeelding

Foto German Art Gallery, The Netherlands

Sepp Happ, ‘Über allem aber steht unsere Infanterie’, 1943. Foto German Art Gallery, The Netherlands

Wat niet mocht volgens Hitlers stijlregels was ook in 1937 in München te zien. Een dag na de GDK opende elders in de stad de tentoonstelling Entartete Kunst, met schilderijen van onder meer Max Beckmann, Marc Chagall, Max Ernst en Otto Dix. Eigenlijk waren alle modernistische stromingen, van Dada tot Bauhaus en van Constructivisme tot Kubisme, volgens de nazi’s verdacht. Iedere vorm van abstractie of surrealisme werd verafschuwd. Kunst van joodse makers was per definitie ‘entartet’, los van welke stijl dan ook. Ook het debat over kunst werd onmogelijk gemaakt. In 1936 had Joseph Goebbels, de minister van Propaganda van het Derde Rijk, alle uitingen van kunstkritiek verboden. Voortaan mocht er alleen nog maar in enthousiasmerende zin over kunst verslag worden gedaan.

In Bochum worden nu zowel ‘artige’ als ‘entartete’ werken getoond. De gespierde übermenschen, de kinderrijke boerenfamilies en de idyllische plattelandsscènes van de nazi-kunstenaars contrasteren heftig met de avant-gardistische beelden van bommenwerpers, verschroeide aarde en wanhopige mensen. De ‘artige Kunst’ verheerlijkt het leven, terwijl de ‘entartete Kunst’ de wereld in crisis toont. De nazikunst is heroïsch en bombastisch, de ‘entartete Kunst’ vaak bescheiden van formaat.

Schuldige kunstwerken

Om geen misverstand te laten bestaan over wat ‘goede’ en wat ‘foute’ kunst is, heeft Von Berswordt bij de nazischilderijen stickers met de tekst ‘artige Kunst’ geplakt. Zo is meteen duidelijk wat de schuldige kunstwerken zijn. De zoetsappige Madonna met kind (1938-1941) van Ivo Saliger, zacht en omfloerst geschilderd als een klassieke Italiaanse meester, is een typisch braaf meelopersschilderij. Vergelijk dat eens met het werk dat de Joodse schilder Felix Nussbaum in dezelfde tijd maakte. Angst (1941) is een zelfportret van de kunstenaar, die zich in de duisternis vastklampt aan een jonge vrouw. Op de achtergrond reppen krantenkoppen over de ‘storm die over Europa’ trekt. Met gevaar voor eigen leven schilderde Nussbaum wat hij voelde. Drie jaar later werd hij, veertig jaar oud, vermoord in Auschwitz.

Von Berswordt wijst op een idyllisch gezinstafereeltje van Hans Schmitz-Wiedenbrück. Vier blonde kinderen spelen er aan tafel met hun blokkendoos en met vers geplukte paardenbloemen. „Hoe kan iemand dit schilderen terwijl overal bommen vielen en mannen gedeporteerd werden?” Ernaast heeft Von Berswordt een foto opgehangen van een kind dat in 1945 langs de stapels lijken in Bergen-Belsen loopt. Vanaf het schilderij lijkt het nazi-kind hem glimlachend aan te kijken.

Bij het schilderij Pflügen (1940) van Paul Junghanns, waarop drie paarden een akker ploegen, spuugt Von Berswordt bijna van woede. „Dit schilderij is een leugen. Er waren in die tijd allang tractors om het land te bewerken.” Hij ergert zich ook aan de walgelijke titels, zegt hij terwijl hij stilhoudt bij een schilderij van Richard Heymann uit 1942, van een Arische vrouw met een mollige blonde baby op schoot. Des Volkes Lebensquell heet het werk: de levensbron van het volk. „Het vrouwbeeld van de nazi’s was zeer ouderwets. Vrouwen hadden in hun ogen maar één taak: nazi-kinderen te baren.”

Juist in deze tijd van het opkomend rechts-populisme van Trump, Wilders en de Duitse partij AfD wil ik laten zien hoe fascistische beeldtaal werkt

Von Berswordt: „Het zijn kunstwerken waarvan je moet kotsen als je er, zoals ik, te veel van ziet. Technisch gezien zijn het geen slechte schilderijen. Veel van deze kunstenaars hadden een academische opleiding en konden wel degelijk schilderen. Maar het is kunst die immoreel is. Deze kunstenaars schilderden onderwerpen waarvan ze dachten dat die in de smaak zouden vallen bij de machthebbers. Natuurlijk, ze waren angstig. Maar ze hóefden niet in die stijl te schilderen. Ze hadden ook kunnen vluchten of emigreren naar Amerika, zoals Josef Albers en Marc Chagall deden.”

Gevaarlijke chaos

Daartegenover staan de „dappere kunstenaars”, die abstract bleven werken hoewel ze wisten dat dat het einde zou betekenen van hun carrière. Zoals Arnold Topp, die in de jaren twintig een gevierd kunstenaar was, maar eenmaal gebrandmerkt als ‘entartet’ in de vergetelheid raakte en uiteindelijk sneuvelde aan het Oostfront.

Of zoals Otto Freundlich, wiens sculptuur Der Neue Mensch (1912) de kaft sierde van de Entartete Kunst-catalogus en die na enkele jaren gevangenschap in 1943 stierf in kamp Lublin-Maidanek. „Topp en Freundlich maakten gedurfde abstracte composities”, aldus Von Berswordt. „Geen orde, geen realisme, maar chaos. Typisch kunst waar de nazi’s een hekel aan hadden. Het was voor hen zeer gevaarlijk om zo te schilderen, maar ze bleven trouw aan hun eigen moraal.”

De tentoonstelling eindigt met het laatste schilderij dat Felix Nussbaum in april 1944 maakte, twee maanden voor zijn dood. Triumph des Todes is een macabere dodendans. Een orkest van skeletten speelt op de puinhopen van de Europese cultuur. Verfdozen, partituren, tekeningen en wiskundige boeken, ze liggen allemaal op de brandstapel. De beschaving is ten einde.