Interview

‘De euro is een succes, de eurozone helaas niet’

Otmar Issing, oud-hoofdeconoom ECB

Hij is één van de architecten van de Europese muntunie en werkte bij de ECB. Hij heeft veel kritiek op zijn oude werkgever. „De eurozone zal er over vijftien of twintig jaar anders uitzien.”

Otmar Issing: „Een nazi-leraar vertelde ons dat Frankrijk onze aartsvijand was.”. foto Felix Schmitt

Trots, maar ook teleurstelling. En zorgen. Grote zorgen. Het komt allemaal langs wanneer Otmar Issing (80) praat over de Europese muntunie. De Duitser is een van de mannen van het eerste uur van de euro. Hij was hoofdeconoom onder Wim Duisenberg, de eerste voorzitter van de in 1998 opgerichte Europese Centrale Bank. Issing bedacht onder meer het inflatiedoel van „dichtbij maar onder de 2 procent” dat huidig ECB-baas Mario Draghi altijd noemt.

Anno 2016 is de monetaire unie een ongemakkelijk samenzijn van landen met heel uiteenlopende ideeën over wat zo’n unie eigenlijk moet zijn. In een gesprek in Frankfurt vertolkt Issing het Duitse onbehagen over hoe de eurozone zich heeft ontwikkeld.

Met energieke tred komt Issing aangelopen om de glazen deur te openen naar zijn werkkamer in het House of Finance, een chique gebouw van de Goethe Universiteit. Hij is niet met pensioen gegaan nadat hij tien jaar geleden afscheid had genomen bij de ECB. Hij noemt het „een groot geluk” om door te werken als wetenschapper. Issing publiceert, houdt lezingen, geeft advies. En hij mengt zich in het niet aflatende debat over de eurozone.

Daar blijft het gisten. Zondag beslissen de Italianen in een referendum over constitutionele hervormingen die het land beter bestuurbaar moeten maken. Bij een ‘nee’ dreigt nieuwe politieke instabiliteit in de derde economie van de eurozone. Een paar dagen later, donderdag, beslist de ECB over verlenging van haar omstreden opkoopprogramma van staatsleningen.

Issing is zichtbaar trots als hij praat over wat er góéd is gegaan met de euro. „Rimpelloos” ging de invoering van de munt. En de euro is „ondanks alle kritiek een stabiele munt”: de inflatie is laag, de wisselkoers solide.

Maar over het beleid van de landen in de eurozone is Issing uitgesproken kritisch. Ook de keuzes van de ECB kunnen niet op zijn instemming rekenen. „De euro als zodanig is een succesverhaal. Van de eurozone kan je dat helaas niet zeggen”.

Hoe beziet u het Italiaanse referendum?

„Dat is voor Italië heel belangrijk. Als de voorstellen het niet halen, is dat verder bewijs dat Italië niet in staat is tot hervormingen. Italië is een land met zó veel potentieel, maar het presteert al sinds het begin van de monetaire unie slecht. Waarom? De instituties zijn inefficiënt, het nemen van beslissingen duurt lang. Alles verstikt in regulering.”

Als Italië inderdaad niet in staat blijkt tot hervormingen, zoals u zegt, heeft het dan nog wel een plek in de eurozone?

„Als Italië uit de euro stapt, zal het dan wél hervormen? Het probleem is niet de euro. In de jaren negentig zeiden hooggeplaatste Italianen tegen mij: wij moeten in de euro, zodat we worden gedwóngen om te hervormen. Ik zei toen: hopelijk gaat dat goed, maar ik denk dat jullie op een gegeven moment de Duitsers zullen uitschelden, met hun hang naar regels en stabiliteit. En dat gebeurt nu. Er doen in Italië ideeën de ronde dat Duitsland Italië de euro in heeft geduwd. Maar dat klopt volstrekt niet. Italië wilde er zélf bij zijn.

„Nu hoor je het omgekeerde argument: de Vijfsterrenbeweging [van komiek Beppe Grillo, red.] zegt: we gaan uit de euro, om te hervormen. Maar hoe moet dat dan? Als je uittreedt, word je geconfronteerd met nieuwe, gigantische problemen: een zwakke lire, instabiliteit, inflatie.”

Issing is teleurgesteld, zegt hij, over het gebrekkige beleid van Zuid-Europese regeringen. In een gebied met een sterke munt als de euro hadden ze de loonkosten moeten matigen om concurrerend te blijven. In plaats daarvan lieten landen als Italië en Portugal de lonen stijgen, terwijl de productiviteit niet toenam. „Dat ging vanaf het begin mis.” Nog een „grote teleurstelling” van Issing: de teloorgang van de begrotingsregels van de EU, het stabiliteitspact, dat nota bene zijn eigen land ook volstrekt negeerde toen het in 2003 een te hoog begrotingstekort had.

De euro bestaat nu bijna 18 jaar. Zal die over nog eens 18 jaar nog bestaan ?

„Ik ben er vast van overtuigd dat de euro nog heel lang zal bestaan. Veel wijst erop dat de eurozone er over vijftien of twintig jaar anders uit zal zien. Als de crisis wordt overwonnen, krijgen we waarschijnlijk nieuwe leden, zoals Polen of Tsjechië. Maar of een land als Griekenland er dan nog bij is? Daarbij plaats ik drie vraagtekens.”

De eurozone blijft wankel en daarom bepleiten onder meer de Europese Commissie en de ECB verdere politieke integratie. Zij willen een meer gezamenlijk economisch bestuur van de eurozone, met eigen schatkist. Krachtig spreekt Issing zich uit tegen dit soort pleidooien voor „centralisatie”. „Dat is volstrekt het verkeerde antwoord. De democratische legitimering daarvoor ontbreekt en dat betekent een enorm risico. De burgers zullen zich daarvan bewust zijn en ertegen rebelleren.”

Issing wil een heel andere kant op. Hij wil niet verder integreren, maar eigenlijk terug, naar wat volgens veel Duitsers ooit de kern van de monetaire unie was: landen moeten hun eigen broek ophouden. Dit principe is vertolkt in de ‘no bail out’-clausule in het Verdrag van Maastricht (1992), dat de basis legde voor de euro. Het komt erop neer dat landen nooit elkaars schulden mogen overnemen. Door de miljardenhulp aan onder meer Griekenland is de clausule onder druk komen te staan. Issing: „‘No bail out’ is een wezenlijk element van de monetaire unie. De Nederlanders, de Finnen – vanwege de geschiedenis misschien niet zozeer de Duitsers – moeten zeggen: we moeten ons er nog eens op bezinnen op welke basis we destijds eigenlijk het verdrag van Maastricht hebben ondertekend.”

Geen miljardenleningen meer voor Griekenland dus?

„Ik was er voorstander van geweest de Grieken geen leningen meer te geven binnen de muntunie. En ze de kans te geven uit de euro te stappen, de zaken thuis op orde te brengen. Tegelijkertijd moet je ze dan flink steunen, dus niet zeggen: sorry, dat was het dan.”

Issing „aarzelt altijd”, zegt hij, om zijn oude werkgever, de ECB, te bekritiseren. Toch kan hij het niet laten. De ECB beslist donderdag of zij het opkopen van staats-en bedrijfsleningen (80 miljard euro per maand) zal voortzetten na maart. Met het opkopen wil de ECB geld in de economie pompen, zodat de zeer lage inflatie (nu 0,6 procent) weer stijgt richting het gewenste niveau van vlak onder de 2 procent.

Issing is „zeer bezorgd” over de bijwerkingen van het ECB-beleid. De opkoop drukt de rente waardoor banken en verzekeraars in de problemen komen. Verlenging van het programma „zou deze risico’s verder verhogen.”

De ECB meent dat zij met het miljardenprogramma een gevaarlijke situatie van deflatie heeft afgewend. Dat is een negatieve prijsspiraal waarbij mensen aankopen uitstellen. „Ik zie dat niet”, zegt Issing. Volgens hem komt de lage inflatie vooral door de gedaalde energieprijzen. Dat is juist een „economisch cadeau”, zegt hij. „alsof elk huishouden een cheque krijgt”.

De ECB moet daarom volgens hem „kalmer” zijn over het feit dat het inflatiedoel nog niet is bereikt. „Dit getal, onder de 2 procent, is op mijn voorstel gebaseerd. In 1998 hebben we gezegd: onder de 2 procent, maar op de middellange termijn. We hebben nooit gezegd: dat betekent binnen 1 of 2 jaar. Dat was onbepaald.”

De president van de Duitse Bundesbank, Jens Weidmann, is het met u eens. Maar hij is in het ECB-bestuur in de minderheid. Daar geldt: one man, one vote. Moet Duitsland, als grootste euroland, meer stemgewicht krijgen?

„In de jaren 90 was dat in de discussies onder de nationale centrale banken een heel omstreden punt. De toenmalige president van de Bundesbank, Karl Otto Pöhl, zei toen tegen mij: het kan toch niet zo zijn dat Luxemburg één stem krijgt en Duitsland ook maar één? Het beslissende argument om toen iedereen één stem te geven, was dat iedereen niet in het ECB-bestuur zit als vertegenwoordiger van zijn of haar land, maar als lid van een groep die gemeenschappelijk besluit over het beste monetaire beleid voor het héle eurogebied. Toen ik in de ECB-directie zat, was dat ook het leidende principe. Daarna is nationaal denken ontstaan, niet toevallig op het moment dat de ECB in 2010 begon met de aankoop van schuldpapier van afzonderlijke landen, van Griekenland, van Italië. Als de ECB min of meer de plaats inneemt van de financiële politiek, is het onvermijdelijk dat de Italiaan Italiaans gaat denken en de Nederlander Nederlands. Maar het is niet de juiste weg om de stemverhoudingen dan maar te veranderen. We moeten juist terug naar een monetair beleid dat niet is gebaseerd op nationale overwegingen.”

U bent in 1936 geboren, u bent nog steeds zeer actief. Wat zijn uw drijfveren?

„Ten eerste blijf ik de wetenschap heel spannend vinden. Als ik terugkom van conferenties en gesprekken denk ik altijd: ik heb weer een boel opgestoken. Mijn tweede drijfveer is: Europa. Ik ben na het einde van de oorlog in mijn compleet verwoeste geboortestad Würzburg naar school gegaan. Op school hadden we een leraar die echt een nazi was. Hij zei: aan de andere kant van de Rijn woont onze aartsvijand: Frankrijk. En aan de andere kant van het Kanaal is het allemaal nog erger. In 1954 heb ik eindexamen gedaan en toen kon ik meteen in Europa gaan reizen. Meteen heb ik overal vrienden gemaakt. Onze kinderen en kleinkinderen kunnen studeren in Amsterdam, Parijs, of Londen. Dat is voor mij Europa.

„De bezorgdheid om Europa, die veel verder gaat dan alleen de economie, drijft mij evenzeer. Ik ben alleen niet van mening dat het volstaat om te zeggen: hoera, Europa, we moeten nog meer centraliseren, nog meer bureaucratie scheppen .”