Opinie

Dat vislood is verwoestend voor uw en mijn gezondheid

De hengelsport maakt dol van vreugde. Maar hij is geschokt door de berg lood die vissers elke dag in het water achterlaten.
Fans bestormen de ring, voorafgaand aan het gevecht tussen Rico Verhoeven en Badr Hari Foto ANP

Ineens sta ik op de machtige pier van San Diego. Oog in oog met de koning der zeeën, the Pacific. In mijn hand een drie meter lange carbonhengel en een bak bevroren inktvis en garnalen. De zon staat hoog en heet. Na twee uur hengsten weet ik slechts één calicobaarsje te strikken, tot iemand ineens buldert „dáár gaat een school!” Als zilveren bliksemschichten zie ik ze in de verte door het blauw schieten. M’n hart stuitert door m’n borstkas. Ik wist het, ik wist dat vandaag de oceaan zijn schatkamers zou openen. Snel verwissel ik de onderlijn voor een paternoster en zwaai met alle kracht het aastuig tot voorbij de horizon. In een mum van tijd haal ik een geweldige partij spartelende horsmakrelen binnen, vier, vijf, eenmaal zelfs zes tegelijk! Wat een sensatie, wat een genot!

Binnen een maand cross ik langs alle grote pieren aan de overrompelende Californische kust. De makrelen komen m’n neus uit maar ik weet van geen ophouden. In heel Amerika zijn zeepieren de enige plekken waar een visvergunning geen verplichting is. Voor inlandse wateren, meren, vijvers, rivieren, gelden krankzinnige regels en tarieven maar pieren zijn vrij toegankelijk. Daarom krioelt het er van de Mexicanen en Chinezen die er hun kostje bij elkaar sprokkelen. Een gezellige melting pot, waar zo nu en dan een rog of stierhaai aan een ketting omhoog wordt getakeld, en die een paar dagen later, volgens traditie, met pittige rijst wordt opgediend voor alle mede-piervissers.

Eenmaal terug in Nederland zoek ik troost en heil op de Tweede Maasvlakte, de Westerschelde, de Oude Maas en de Nieuwe Waterweg bij Maassluis. Brakke wateren met rondom mij heen rokende fabriekspijpen en druk vaarverkeer. Bepaald niet de zilte schittering van het onmetelijke oceaanblauw. Maar de euforie is er niet minder om als ik met een wadpier of vette zager een zeebaars te grazen neem. Soms een schar of een strijdlustige gul. Elk vrij uurtje spring ik in m’n auto en struin met diverse vis-apps de beste stekkies af. Ik houd getijden, maanstanden en windrichtingen in de gaten. Intussen verwaarloos ik vriend en vijand – en dat voor iemand (een bekentenis) die de hengelarij van kindsbeen een hobby vond voor ouwe lullen met dikke buiken die de hele dag verveeld naar een watertje zitten te turen waar geen fluit gebeurt.

Maar sinds drie seizoenen ben ik verkocht. Ik slaap met vissen en word wakker met vissen. Het diertje waarvan men zegt dat het gigantisch groeit tussen het ogenblik van vangst en het ogenblik dat de visser het beschrijft aan zijn vrienden; dat diertje heeft me serieus dol gemaakt. Overdag sta ik aan de waterkant en ’s avonds wissel ik stapels zeeliteratuur af met de duizenden visfilmpjes op YouTube. Ik maak lijstjes van ’s werelds beste stekken, de woeste kusten en eilanden van Indonesië, Schotland, Noorwegen, Marokko, Chili; ik bestudeer dwaze, geslepen jachttechnieken en knutsel avontuurlijke reisschema’s in elkaar. Alles in ‘t teken van die ene droom: een marlijn of blauwvintonijn uit de diepte ophijsen. Ik popel om, naar een oude vistraditie, m’n eerste tonijn eigenhandig open te snijden en het hart nog kloppend te verorberen; dan pas schijn je te zijn ingewijd tot echte zeevisser.

Als vader van de hengelsport wordt vaak Izaak Walton (1593-1683) aangehaald. In zijn beroemde boek The Compleat Angler wordt hengelen beschouwd als een wonderlijk mengsel van wiskunde en poëzie. Jagen op vis raakt aan iets ongenaakbaars. Iets oers. De glooiende golven, het ruisend riet, de groen iriserende boktor die op je arm landt; je zwijgt, je loert, je vergeet taal en toekomst; de tijd glijdt langs je heen zoals de meeuwen boven je hoofd zweven; intussen versmelt je geest met ‘t duistere, geheimzinnige rijk onder het wateroppervlak. Het geringste tikje op de lijn of dobber doet het bloed gieren door je aderen.

Een prachtig tijdverdrijf, dat vissen. Dolce far niente in optima forma. Dé sport voor de waterfanaat en natuurvriend die de stedelijke stank en heisa graag mijlenver achter zich laat. Ho, wacht – waterfanaat? Natuurvriend? Hier raken we aan een leugen. Een gewichtige leugen. Achter de idylle van deze ‘natuurvriendelijke hobby’ schuilt iets extreem natuurvijandig: lood. Dat wil zeggen, de loodobjecten die vissers gebruiken als werpgewicht en als zwaartemiddel om ‘t aas te laten zakken. Wie een hengelwinkel binnenloopt verdwaalt in het labyrint van loodsoorten: hagellood, zinklood, ankerlood, karperlood, echolood, dropshotlood, in honderden maten en gewichten, van 0,06 gram (witvisserij) tot langpotige monsters van wel 300 gram of meer (rivier-, zee- en strandvisserij).

Een mooi en rijk aanbod, niks mis mee, ware het niet dat elke visser lood kwijtraakt. De ene dag meer dan de andere. Dit verlies hoort er stomweg bij. Het werplood (of de vishaak) raakt verstrikt in zand- en mosselbanken, het wrikt zich vast in wrakstukken, stronken en rivierplanten; soms schiet het los als de lijn knapt na een worp, of ’t breekt simpelweg af door het schuren langs de scherpe randen van oesters, schelpen, glas, ijzerstukken. Geen visser die op pad gaat zonder een fiks loodarsenaal in z’n koffer.

Met andere woorden, elke dag verdwijnen bergen lood in het water – maar is hier wel eens onderzoek naar gedaan? Verdomd weinig. Het meest recente grootschalige onderzoek stamt van begin dit jaar. Toen rapporteerde onderzoeksinstituut Deltares (in opdracht van Rijkswaterstaat) dat er jaarlijks 54 ton lood via de visserij in het milieu in Nederland terecht komt. Schokkend genoeg, maar de werkelijkheid is schokkender. De proefmetingen gaan er namelijk vanuit dat elke visser (Nederland kent zo’n 900 duizend actieve vissers) gemiddeld 60 gram lood per jaar verliest. Dit is wel een zeer karige premisse. Als ik alleen al voor mezelf spreek, dan heb ik in de korte tijd dat ik hengel (nog geen jaartje dus) zonder overdrijving al zeker een halve kilo verknoeid. En dat geldt, in iets mindere mate, ook voor de meer geroutineerde collega-vissers. Dus is het reëler als achter die 54 ton een nulletje wordt geplakt.

Waar blijven al die bergen lood? Die stapelen zich doodgewoon op op de bodems van onze kust- en binnenwateren, elk jaar hoger en hoger. Als ik erover begin bij winkeliers en medevissers hoor ik altijd: „Tja, part of the game hè...”

Ware het een onschuldig goedje, was ik niet in de pen geklommen. De brancheorganisaties zeggen dat zolang lood onder water blijft er weinig aan de hand is, omdat lood niet met water reageert. Dit is waar, maar dit is het halve verhaal. Lood heeft immers de eigenschap dat het accumuleert, waardoor bij grote concentraties de kans op loodvergiftiging substantieel is. Lood is sowieso al giftig als ’t in aanraking komt met (vochtige) lucht, bijvoorbeeld bij het baggeren, wat aan de orde van de dag is. Dan gaat het oxideren. Dit ‘loodoxide’ wordt rechtstreeks opgenomen door planten, vissen, mossels, oesters, kokkels, fytoplankton, en duizend andere schelpdieren en bodemorganismen – waarna het dus vrij eenvoudig in ons voedselketen belandt.

Datzelfde Deltares rekende uit dat van die 54 ton (wat dus eerder 540 ton moet zijn) er inmiddels meer dan 12 ton (eigenlijk 120 ton) in onze voedselketen terecht is gekomen. Met alle verzwegen gezondheidsrisico’s van dien, en die zijn niet misselijk: loodoxide tast botweefsel aan (acute encephalopathie), het veroorzaakt kolieken, verlammingen, bloedarmoede, grauwe huidskleur, nierbeschadigingen; het remt de werking van enzymen, langdurige blootstelling schaadt het centrale zenuwstelsel, wat weer kan leiden tot depressie, dementie, menstruatiestoornissen, onvruchtbaarheid, miskramen, spontane abortussen, perinatale sterfte. Niet voor niets dat vroeger lood gebruikt werd als anticonceptivum. Niet voor niets dat lood uit ons waterleidingsysteem is verbannen, niet voor niets dat pesticiden met loodverbindingen streng verboden zijn. In de (plezier)jacht mag allang niet meer worden geschoten met loodkorrels en sinds de jaren ’90 is benzine in heel Europa strikt loodvrij. Zoals ook de verkoop van verftubes met loodwit al vele jaren aan banden is gelegd.

Maar vissers… die mogen dus ongebreideld en ongestraft bakken lood rondstrooien. Geen haan die ernaar kraait. Onbestaanbaar. Zeker als je bedenkt dat al langere tijd (in het buitenland) een breed scala aan alternatieven is ontwikkeld, maar die ontdekte ik zelf pas vrij recent. Zo weet ik nu dat er gietijzeren werpballen bestaan, gewichtjes van tin en kiezelsteen, en zelfs van glas bestaan prachtige ontwerpen. Maar bijna geen van deze alternatieven is verkrijgbaar bij groothandel of winkelier, of ergens in een bakje achterin. Ook de nieuwste uitvinding, de aëro steel (van glad, geperst staal), die bij proeven windstabieler blijkt en zelfs verder werpt dan lood, ligt roemloos te verstoffen in fabrieksdozen. Waarom? ‘Te duur’, ‘lood is rendabeler’, ‘te weinig vraag’, ‘vissers zijn gehecht aan hun loodjes’, etc.. Bij de landelijke koepelorganisatie, Sportvisserij Nederland, lijkt de urgentie vooralsnog niet erg ingedaald. Hun officiële standpunt luidt: „Sportvisserij Nederland roept, samen met andere leden van de European Anglers Alliance, de marktsector én de individuele sportvisser op om uiterlijk vanaf 2020 te stoppen met het produceren, verdelen en gebruiken van iedere vorm van lood zwaarder dan 0.06 gram.”

Een sympathieke oproep, zeker, maar in 2020 is het loodverlies alweer opgelopen tot bijna 200 ton, of eigenlijk 2000 ton. En trouwens, wat is tegenwoordig nog de impact van een moreel appèl? Vissers zijn stijfkoppiger dan bankiers en conservatiever dan salafisten. Eerdere promotieacties voor loodvrij vissen veroorzaakten nog geen rimpeling in ‘t water, en zelfs subsidies (40 miljoen euro in het kader van het programma Innovatie Kaderrichtlijn Water in 2009) zetten weinig zoden aan de dijk. Toen afgelopen 1 april een lolbroek aankondigde dat vanaf september lood verboden is in de visserij, ontplofte FaceBook. Het bleek een hoax. Alle vissers haalden opgelucht adem.

In zijn boekrecensie van Haaienkoorts riep schrijver Atte Jongstra op dat het tijd is voor meer waterrumoer in de letteren. Een gegrond punt. Maar niet alleen in de letteren. Water is onze voornaamste levensbron. Na plastic, gif, olie en dode, zuurstofloze zones is het hoog tijd dat volk en politiek beseffen dat onder het wateroppervlakte iets woekert wat buitengemeen verwoestend is voor ons milieu. Voor uw en mijn gezondheid. Als Donald Trump alles in het werk wil stellen om de planeet naar de verdoemenis te helpen, door onder meer het Klimaatverdrag te lozen, moet het een peulenschil zijn om wetgeving te maken die het lozen van vislood verbiedt.