Bij de dood van Castro

Fidel loopt langs en leest de krant in mijn voortuin, ‘ mucho gusto

Illustraties Cyprian Koscielniak

Al dagen heerste er een opgewonden sfeer. Fidel Castro zou een regionaal congres in Montevideo bijwonen samen met de regeringsleiders van de buurlanden. Het was oktober 1995 en voor het rustige Uruguay was dit een gebeurtenis van formaat. Fidel kwam en stelde niet teleur.

Op vrijdagavond zag ik hem nog op de televisie. Hij gaf een persconferentie en was scherp als een scheermes. Onberispelijk gekleed in donkerblauw driedelige krijtstreep met een wit overhemd en een rood gestreepte business-das. Een spervuur van vragen over democratie, economie en vrijheid. „Señor presidente, is het waar dat bij gebrek aan werk zelfs academisch geschoolde vrouwen de prostitutie ingaan?” Castro vertrok geen spier. „Absoluut verkeerd begrepen”, antwoordde hij. „Integendeel zelfs, in Cuba is het niveau van onderwijs dusdanig hoog dat zelfs hoeren een universitaire opleiding hebben.”

Ik was heel vroeg op, de volgende dag. Het was zaterdag en ik wilde een klus in de voortuin afmaken voordat de kinderen wakker werden. Complete rust in Carrasco, de villawijk waar wij woonden. Montevideo was nog diep in slaap: geen auto’s, geen mensen, geen honden. In een land dat de maaltijd bij voorkeur nuttigt om elf uur ’s avonds, houdt men van uitslapen. Een prachtige lenteochtend met een opkomende zon die zijn best deed nevel en dauw weg te branden. In de verte komt een lange oudere man aanwandelen. Kaarsrecht postuur, zijn handen op de rug gevouwen. Grijs haar en bijbehorende baard. Fidel draagt hetzelfde donkerblauwe pak als de avond tevoren op tv en lijkt te genieten van zijn ochtendwandeling. Hij stopt bij mijn voortuin en bukt zich om de krant op te rapen die zoals gewoonlijk naast de brievenbus ligt in plaats van erin. Een enorme foto van zichzelf, breed op de voorpagina. Ik sta aan de grond genageld. Fidel bestudeert kort zijn eigen foto en overhandigt mij de krant. „Mucho gusto”, mompelt hij enigszins nors, en vervolgt zijn weg. Verbijsterd kijk ik hem na. Bij de hoek van de straat draait hij zich nog even om. Verbeeld ik het me, of zie ik een vage glimlach? Dan is hij weg: terug naar hotel Belmont House, twee blokken verderop. Ik ga naar binnen om het ontbijt klaar te maken. De president van Cuba zonder lijfwachten. Was dit de man die CIA-moordaanslagen overleefd had? Ik heb de krant jaren bewaard, maar bij de laatste verhuizing ging hij verloren. El Observador, gedateerd op 14 oktober 1995, hoogstpersoonlijk bezorgd om 06.48 uur door presidente Fidel Alejandro Castro Ruz, op adres Alfonso Espinola 1825 te Carrasco, Montevideo.


was van september 1993 tot juli 1997 werkzaam als directeur van ABN Amro in Uruguay.