Column

Alles gaat langzaam en toch snel

jeroen

Het is een druilerige zondag als ik besluit om nog even naar het werk te lopen. Er ligt een stapel stukken op mijn bureau en ik wil er vast een beginnetje mee maken voordat de hectiek van de week weer begint. Terwijl ik langs het lab loop zie ik Svenja zitten, een van onze promovendi. Zachtjes zingt ze mee met de radio, terwijl ze achter het microtoom, een snijmachine, zit met enkele tientallen stukjes (‘blokjes’) hersenweefsel.

We maken een praatje en ik ga naast haar zitten. „Geef maar een blokje”, zeg ik. „Ik help wel even mee.” Stukjes hersenen van overleden donoren worden gefixeerd met de chemische stof formaline en daarna in kaarsvet gegoten. Zo’n blokje hersenen-in-kaarsvet zet je vervolgens in het microtoom en dan pruts je een tijdje om het recht voor het mes te krijgen. Ik stel de snijdikte in op 10 micrometer en snij een paar flinterdunne plakjes.

Al keuvelend leggen we om de beurt onze plakjes in een waterbadje van 42 graden, waardoor ze kunnen strekken. Zodra alle kreukels eruit zijn, kunnen ze op een preparaatglaasje gesleept met een dun penseel. Daarna moeten ze een nachtje drogen en dan kunnen ze verder bewerkt om onder de microscoop te worden bekeken.

Mijn team doet onderzoek naar multiple sclerose (MS). Dat is een ziekte van het centrale zenuwstelsel die veel voorkomt; vaak bij jonge mensen. Svenja wil begrijpen wat er met zenuwcellen van mensen met MS gebeurt. Zenuwcellen staan massaal met elkaar in verbinding. Ze vormen een netwerk zoals het internet een gigantisch netwerk is en zoals het wegennetwerk of alle vluchten ter wereld een netwerk vormen.

Bij ziekten zoals MS raakt de balans in het hersennetwerk verstoord. Sommige cellen krijgen dan ineens te veel input. Alsof we alle treinen over Bunnik laten rijden als Utrecht Centraal platligt. Dat kleine Bunnik kan die drukte niet verstouwen. Svenja en ik verwachten dat MS zenuwcellen gered kunnen worden door het loskoppelen van sommige van hun verbindingen naar de rest van het netwerk. Je kunt dan als het ware even niet naar Bunnik, want daar zijn herstelwerkzaamheden bezig.

Het is een spannende hypothese en Svenja moet honderden blokjes hersenen afspeuren om te kijken of die klopt. „Ik ben zo benieuwd wat ik ga vinden”, zegt ze. „Het duurt me te lang!” Ik glimlach en mijn gedachten dwalen even af. Ja, onderzoek duurt lang. Zóveel stappen totdat je eindelijk resultaat hebt, zoveel plakjes weefsel om te bekijken.

Toch is er tegelijkertijd ook al zoveel gebeurd. Toen ik zelf nog promovendus was, amper vijftien jaar geleden, beschreven we afwijkingen in de buitenste laag van de hersenen bij MS-patiënten. In die buitenste laag, de hersenschors, verwachtten we geen schade. Ten onrechte. Ik herinner me hoe ik achter de microscoop vol verbazing tekening na tekening maakte van wat ik zag. De afwijkingen waren er wel degelijk en waren veel uitgebreider dan iedereen had gedacht!

Toen ik een eigen onderzoeksgroep begon te bouwen, werkten we aan het zichtbaar maken van de schorsafwijkingen met behulp van moderne hersenscans. We draaiden eindeloos aan de knoppen van de techniek. Ik wilde daarnaast ook snappen hoe de afwijkingen ontstonden. Dus deden we microscopisch en genetisch onderzoek en ons inzicht groeide stapje voor stapje. Afwijkingen bleken via bepaalde patronen te verlopen in het brein. En zo kwamen we op de gedachte van netwerken, waar ook Svenja nu aan werkt. We keken naar hoe hersengebieden precies met elkaar communiceren en hoe de efficiëntie van die informatieoverdracht langzaam verloren gaat met het voortschrijden van de ziekte.

Ik herinner me hoe we na een lange dag van probeersels en mislukkingen ’s avonds rond een computer stonden te turen naar filmpjes van naar elkaar ‘vurende’ hersendelen. Dat was magisch. Een blik, dwars door de schedel, en recht in de natuur. Ik had biologen nodig en technici, maar ook psychologen en artsen, want we wilden precies uitvissen hoe hersenschade leidt tot cognitieve problemen, zoals een verslechterend geheugen of traagheid van denken. Een paar maanden geleden openden we de deuren van het Expertisecentrum Cognitie voor MS. A dream come true! Over tien jaar kunnen we cognitieve achteruitgang misschien behandelen, of toch tenminste aanzienlijk vertragen. Nog zoveel te doen.

We zijn steeds gegaan waar de heersende vraag ons bracht. Bij elke stap leerden we iets nieuws. Terugkijkend op die ontdekkingstocht voel ik weer de Begeisterung. De teamspirit, de eindeloze creativiteit. Op de tast je weg vinden in een donker bos, dát is wetenschap. Een donker bos vol dromen en mogelijkheden. Ik begon ooit in het klein en nu is er een hele lijn van onderzoek. Dat is toch verdomd mooi…

Svenja stoot me aan. Ik schiet uit mijn mijmering. Ze lacht. „Hee dromer. Denk je dat het iets wordt met dat onderzoek van mij?”, vraagt ze. „Absoluut”, zeg ik. „The sky is the limit”.