Recensie

Le Carré de raconteur komt goed op stoom

John Le Carré dist de verhalen over zijn leven, die hij eerder aan zijn biograaf prijsgaf, deels opnieuw op. Alleen zijn die avonturen nu pittiger gekruid.

David Cornwell werd tijdens de Koude Oorlog door de inlichtingendienst MI6 als spion gestationeerd in West-Duitsland en schreef er onder het pseudoniem John le Carré een aantal spionageromans. De derde, The spy who came in from the cold, werd in 1963 een bestseller die de auteur plotselinge internationale roem bracht. Cornwell stopte als spion maar stopte ook met het zijn van David Cornwell, althans in het openbaar. In de schijnwerpers ging hij verder door het leven als John le Carré en die man leek er schik in te hebben zichzelf te hullen in mysteries. Of mystificaties: zijn werk als spion werd bijvoorbeeld, beweerden sommigen, door hem overdreven.

In de vorig jaar verschenen biografie over Cornwell/Le Carré van Adam Sisman, waaraan het onderwerp zelf jarenlang met regelmatige tegenzin en wrevel meewerkte, werd de mist enigszins weggeblazen doordat Sisman ook vele andere bronnen aanboorde; het belang van de spionage-activiteiten van Cornwell werd inderdaad gerelativeerd, maar zijn belang als schrijver en beschouwer van zijn angstige tijdsgewricht en het verval van het Britse rijk juist niet.

De Duiventunnel, een recente bundeling van deels eerder in kranten en tijdschriften gepubliceerde herinneringen, kan moeilijk anders worden opgevat dan als directe reactie op Sismans recente biografie. In het boek neemt Cornwell het heft resoluut weer in eigen handen en dist hij de verhalen die hij aan zijn biograaf prijsgaf deels opnieuw op, maar dan wat pittiger gekruid en vanuit een subtiel ander perspectief. Vermoedelijk meer dat van John le Carré dan dat van David Cornwell (1931).

Het levert een groot aantal smakelijk beschreven avonturen op die vooral inzicht bieden in de totstandkoming van de romans van Le Carré. Door zijn bekendheid kreeg hij de afgelopen decennia tijdens research toegang tot zowel het voetvolk als tot de leiders in diverse conflictgebieden – zijn merkwaardige audiënties bij Arafat zijn zeer geestig beschreven – en zulke ontmoetingen leidden vaak direct tot de verhaallijnen en hoofdpersonages in zijn latere romans; voor liefhebbers van zijn werk bijzonder boeiend.

Beroepseer

Over zijn loopbaan bij MI6, die hij ook hier van gering belang noemt, zwijgt Le Carré simpelweg door te verwijzen naar beroepseer: daarover spreekt men niet. Wel vertelt hij in soms korte en dan weer veel langere hoofdstukken over de filmsterren, politici, KGB-chefs en andere hotemetoten in wier gezelschap hij mocht verkeren en dineren; deze man kent iedereen en iedereen wil hem kennen, dat is duidelijk. Het is soms pompeus en de quasi-bescheidenheid druipt er vanaf, maar als de lezer samen met Le Carré na de val van de Muur in een Moskouse nachtclub knielt voor een Russische gangster – een inspiratiebron voor de gangster in Our kind of traitor – is dat een ontegenzeggelijk spannender en beeldender beschreven gebeurtenis dan dezelfde scène in de biografie van Sisman. Le Carré de raconteur komt goed op stoom.

Amusant

Regelmatig heen en weer bladeren in beide boeken levert ook niet het beeld op dat Le Carré dingen uit zijn duim zuigt, wel dat hij verhalen vetter aanzet dan de biografie doet en sommige banale zaken, zoals een optreden in de Amerikaanse oerversie van de tv-quiz Wie van de drie, er uit weglaat.

De lezer kan dat allemaal niet zoveel schelen; Le Carré zegt op zoveel plaatsen dat hij niet gelooft in zuivere herinneringen, dat feiten de knecht en niet de meester van de schrijver zijn en dat hij als ex-spion, als auteur van fictie en als zoon van een geboren oplichter natuurlijk een bepaalde verhouding tot de waarheid heeft – een begrip waarvan hij het bestaan bovendien betwijfelt –, dat je begrijpt en accepteert dat deze achtendertig schetsen en anekdotes zijn opgesmukt maar niet gelogen.

Soms vertelt hij pompeus; de nep-bescheidenheid druipt er vanaf

Maar het gebodene is wel vaak meer amusant dan pregnant. Vooral wanneer het gaat over persoonlijke zaken, zoals de omgang met zijn gewelddadige, criminele vader Ronnie en afwezige moeder Olive, maken alle voorbehouden – wat is waarheid, wat gefantaseerde herinnering, vraagt de schrijver zich ook hier af – de lezer wat ongedurig. Als Le Carré ook nog privé-detectives inhuurt om meer over zijn vader te weten te komen en die met lege handen terugkomen, begint een zeker vermoeid wantrouwen te ontstaan, dat dodelijk is voor autobiografische schetsen. Als Le Carré zoveel uit zijn persoonlijke leven niet zeker weet, denkt de lezer, waarom zit ik er dan over te lezen?

De paradox treedt op dat Le Carré de essentie van zijn verhouding met zijn gehate en toch ook bewonderde vader die model stond voor meesteroplichter Rick Pym, de vader van de hoofdpersoon uit A perfect spy uit 1986, wellicht beter heeft getroffen in dat fictionele boek dan hier in zijn memoires. Wat misschien ook zijn punt is.

De legitieme vraag ‘wil de echte David Cornwell nu eindelijk eens opstaan’ wordt eigenlijk beantwoord met ‘nee’, krijg je als lezer de indruk. Je kunt kiezen uit drie versies: deze memoires, de biografie van Sisman en de fictie van John le Carré. Dan is duidelijk: de laatste brengt de meeste voldoening.