Recensie

Een nuttig boek voor onder de christelijk-heidense kerstboom

Het is even slikken voor de ‘progressieve krantenlezer’, maar wie in het strafbankje van Paul Cliteur plaatsneemt wordt lucide de les gelezen.

Bezoekers van de Tweede Kamer gekleed in een niqab, voor aanvang van het debat in de Tweede Kamer over gezichtsbedekkende kleding. Foto: ANP BART MAAT

Zelden zoveel plezier beleefd aan een ‘moeilijk boek’, dat wil zeggen aan een intellectuele uiteenzetting als aan Bardot, Fallaci, Houellebecq, Wilders van de rechtsfilosoof Cliteur. Uiteraard krijg je er als ‘progressieve krantenlezer’ van langs – de lezer wordt voortdurend ingepeperd dat hij kennelijk weigert om de ware aard van het ‘theoterrorisme’, zoals Cliteur het noemt, te onderkennen. We zijn namelijk beland in een religieus-culturele oorlog waarin het Westen moet vechten voor behoud van rechtsstaat, democratie en moderniteit.

Voor wie dat kan incasseren en gehoorzaam in het strafbankje plaatsneemt, wacht een lucide kritiek op de islam, een met vaart geschreven, harde analyse van het politieke klimaat, waarin Wilders, Houellebecq, Fallaci en Bardot worden opgevoerd als slachtoffers van een dwalend justitie apparaat.

Cliteur vergelijkt en analyseert de vervolgingen wegens smaad, laster of haatzaaien die de vier hoofdpersonen uit de titel hebben moeten ondergaan. De kern van zijn betoog is dat justitie principieel niets te zoeken heeft in het politieke debat over migratie, islamistisch geweld, criminaliteit en de band met de islam. Hij vindt de vervolgingen in Frankrijk, Nederland en Duitsland van romanciers, politici en activisten ‘paniekreacties van de bestuurlijke en justitiële elite’. Die volgens hem (ook) niet bereid zijn om de gevaren van de geradicaliseerde islam te benoemen, uit politiek opportunisme: de misplaatste vrees om ‘de moslims’ te beledigen, te stereotyperen of te discrimineren.

Resistent

Voor de atheïst Cliteur zijn de grote monotheïstische religies behalve verwant ook allemaal in beginsel gewelddadig. Pas als ze door de ‘wasmachine’ van de Verlichting zijn gegaan, zijn ze maatschappelijk afgewaardeerd tot een relatief onschuldige hang naar spiritualiteit. Het blijft natuurlijk onzin, maar schadelijk is het dan niet meer. Of dat met de islam ooit zal gebeuren is de vraag – de islam zou ‘secularisatieresistent’ zijn. Moslims neigen ook substantieel vaker tot orthodoxe gelovigheid dan aanhangers van andere religies. Cliteur ziet er een reden in om migratie uit islamitische landen anders te bekijken – moslims zijn ‘minder integreerbaar’ en mogen dus ook minder welkom zijn. Iedereen die dat wenst te bepleiten moet daarvoor alle ruimte krijgen.

Cliteur ziet de strijd tussen de islam en de westerse wereld als een culturele oorlog, vergelijkbaar met de strijd tegen het fascisme of het communisme. En wat hem betreft hét bepalende politieke thema van de komende decennia. Dat zou je een zwak punt in het boek kunnen noemen. Andere thema’s bestaan bij hem helemaal niet. De opwarming van de aarde, de energie-omslag, robotisering, vrijhandel en globalisering, machtsevenwicht, China-VS-EU – bij Cliteur is het enige thema de islam versus het westen. Met het ‘theoterrorisme’ als allerbelangrijkste veiligheidsprobleem.

Hoe dus om te gaan met migratie, met religieus georiënteerd geweld, met minderheden die de verkeerde statistieken aanvoeren? Daarover is volgens Cliteur een door niemand gehinderd debat nodig, waar de moraliserende klasse in de vorm van officieren van justitie en de weldenkende gemeente ruimte voor moet maken. Daarin heeft hij ronduit gelijk. Het gaat om de koran versus het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) – welke waarden zijn eigenlijk de beste en dienen te domineren? Dat dilemma is lastig te vatten voor een westerse samenleving die niet meer gewend is aan ideologieën, aan grote bindende constructies, waar men eventueel het leven voor zou moeten willen laten. Die ambitie is in Europa vrijwel uitgestorven, behalve dan bij de kalifaatdromers op hun zolderkamertjes.

Cliteur laakt de volgens hem algemene vrees in westerse landen, aangewakkerd door koloniale schuldgevoelens, om ‘gematigde moslims’ te beledigen door bij aanslagen de religieuze inspiratie van de aanslagplegers te vermelden. Zodat zij zich wellicht ‘uitgesloten’ zouden voelen en zich tot de radicale islam bekeren. Vrijwel alle verantwoordelijke bestuurders (en opiniemakers) bagatelliseren volgens hem consequent de religieuze motivering van aanslagplegers of houden die zelfs achter. Het is de kern van de houding van de ‘politiek correcte’ klasse met ‘mist in het hoofd’, zegt Cliteur. Je kan er vraagtekens bij plaatsen, maar waar het Cliteur om te doen is de erkenning van de religieuze voedingsbodem voor aanslagen. Wie dat niet doet, boekt volgens hem ook geen enkel succes bij de bestrijding van dat ‘theoterrorisme’. Het zou de reden zijn voor het algemene falen van de overheid bij de bescherming tegen aanslagen. Zo geredeneerd is dus iedere volgende aanslag een bevestiging van zijn analyse. Hoe het dan kan dat de veiligheidsdiensten er ook in slagen om aanslagen te voorkomen is dan weer niet te verklaren. Maar een kniesoor die daar op let.

Moslims zijn ‘minder integreerbaar’ en mogen dus ook minder welkom zijn

Uiteraard is Cliteur een tegenstander van de cultuurrelativisten, al die aardige, ‘tolerante’ krantenlezers die vinden dat orthodoxe boerkadragers vreedzaam samen moeten kunnen leven met ongelovigen en homo’s en waar uiteraard niet gediscrimineerd of beledigd mag worden. Maar dat zal niet lukken. Cliteur wijst op hier verblijvende moslims die menen dat afvallige vrouwen, ongelovigen en homo’s écht gestenigd moeten worden, louter omdat de koran dat voorschrijft. Kunnen we dat wel tolereren, vraagt hij zich af.

Cliteur ziet de vier hoofdfiguren in zijn betoog als de kanaries in de kolenmijn van de vrije democratie – leggen zij het loodje, tegengewerkt door justitie, niet genoeg beveiligd door de staat, uitgestoten door de publieke opinie, dan verliest iedere burger. De invloed van de islam op de westerse samenleving, in de vorm van aanslagen, fatwa’s en constante dreiging, vergelijkt hij met chantage á la de maffia, met als gevolg verlies van handelingsvrijheid en dus soevereiniteitsverlies. De democratische moraal is hier al zo ver ondermijnd dat Wilders, Rushdie of de cartoontekenaar Westergaard, regelmatig wordt verweten dat ze de religieuze terreur zelf hebben uitgelokt.

Emancipatie

Cliteur is van de harde religiekritiek – godsdiensten die minachting verdienen moeten dat kunnen krijgen. Godsdienstvrijheid is óók de vrijheid van godsdienst te veranderen, of er van af te vallen. Het is géén bescherming tegen godsdienstkritiek. In een democratie moet je voor bepaalde ideeën achting kunnen uitspreken, maar ook minachting – zoals eventueel voor de islam.

Dat concepten als democratie, rechtsstaat, mensenrechten en secularisme het product zijn van de ‘joods christelijke traditie’ werpt hij overigens verre van zich. Cliteur vindt dat die bij uitstek moderne verworvenheden juist het gevolg zijn van de ‘bevrijding’ van die joods-christelijke traditie. We zijn door emancipatie los gekomen van de monotheïstische erfenis en verwierven juist nieuw ijkpunten.

Over de omvang van migratie is Cliteur genuanceerd. Een migratiestop of ‘grenzen dicht’ is onverstandig – Europa heeft migranten nodig. Maar met migratie moet wel nuchter worden omgegaan. Culturele verschillen mogen in een natiestaat bestaan, maar niet onbeperkt. Op de Universele verklaring van de rechten van de mens dient iedereen aanspraak te kunnen maken. Verder mag ieder land selecteren wie men wel en niet wil opnemen. Niet iedere vorm van ‘vreemdelingenvrees’ is verkeerd. Als in het land van herkomst islamisme een grote aanhang heeft dan is dat een acceptabel criterium om minder migratie toe te staan. Die vorm van ‘vreemdelingenvrees’ moet acceptabel zijn.

Kortom, een nuttig boek, dat niet misstaat onder de christelijk-heidense kerstboom. Ook voor wie nog geen dienst heeft genomen in de culturele oorlog tegen de islam.