Recensie

Sta op, slaven van internet

In zijn ideeënroman laat deze Amerikaanse schrijver zich uit over de sociaal-ontwrichtende gevolgen van de internet-economie. In die wereld kunnen creatievelingen nog amper overleven.

Toen het woord niggabitch vijf jaar geleden bij een foto van popster Rihanna in hotpants stond in het tijdschrift Jackie, leidde dit tot een stroom woedende tweets. Jackie-hoofdredacteur Eva Hoeke, die klaarblijkelijk niet had begrepen dat alleen zwarten zelf de woorden nigga en bitch mogen gebruiken, bood publiekelijk haar excuses aan. Maar dit deed de woede slechts toenemen en ten slotte zag Hoeke, die zelfs werd beschuldigd van racisme, zich genoodzaakt ontslag te nemen.

In Ik haat het internet, de ideeënroman van de Amerikaanse schrijver Jarett Kobek (38), overkomt een van de hoofdfiguren, striptekenares Adeline, iets soortgelijks. Tijdens een gastles aan een kunstacademie legt Adeline uit dat het werk van Rihanna en Beyoncé geen ‘intrinsieke waarde’ heeft en ook niets heeft te maken met feminisme, maar slechts een slim en manipulatief product is van de muziekindustrie. Een student neemt de gastles op en zet die op internet, met als gevolg tientallen woeste emails aan Adeline. Zoals: ‘Beste slet, ik hoop dat je verkracht wordt door een groep illegale allochtonen met syfilis’.

Adeline behoort tot een groep vrienden die in het San Francisco van 2013 als schrijvers, tekenaars en andere ‘creatievelingen’ het hoofd boven water proberen te houden. Dat wordt ze steeds moeilijker gemaakt, doordat de werknemers van techbedrijven als Google, die veelal in de suburb Silicon Valley zijn gevestigd, in San Francisco willen wonen en de huur- en koopprijzen van woningen tot duizelingwekkende hoogte doen stijgen.

Geldgebrek

Bovendien zorgt de oprukkende internet-economie ervoor dat ‘creatievelingen’ als Adeline niet of nauwelijks worden betaald voor de levering van ‘content.’ Tegen het einde van 2013 moeten verschillende leden van de vriendengroep San Francisco wegens geldgebrek dan ook verlaten. Alleen Adeline kan het zich permitteren om te blijven omdat ze van rijken huize is.

De talrijke bezoeken van de vrienden aan cafés, restaurants en literaire avonden zijn voor Jarett Kobek slechts aanleiding voor uitweidingen over de internet-economie, waarvan San Francisco het middelpunt is. Soms laat hij zijn personages in zinnen, die doorspekt zijn met ‘zeg maar’ en ‘weet je’, klagen over bijvoorbeeld de witte bussen waarmee Google zijn nerd-achtige personeel naar de kantoren in Silicon Valley laat brengen. Maar vaak is het Kobek zelf die de onveranderlijk negatieve gevolgen van de internet-economie uit de doeken doet. En of het nu gaat om de ‘slavernij’ van de internetgebruikers, wier gratis levering van informatie door bedrijven als Facebook te gelde wordt gemaakt, of om de uitbuiting van de onderbetaalde lopende-band-arbeiders in China, die de I-phones van Apple in elkaar zetten, altijd geeft hij die weer in onverbloemde bewoordingen. Wanneer hij bijvoorbeeld Larry Page (van Google) en andere toppers in Silicon Valley vergelijkt met de goden uit de Klassieke oudheid, schrijft hij over Apple-oprichter Steve Jobs, de meest geadoreerde van alle techtoppers: ‘En dan was er die goeie, ouwe Steve Jobs, ook wel bekend als Hades. [...] Eigenlijk was Steve Jobs Hades omdat Hades een enorm eigenwijze lul was. Wat Steve Jobs nog het meest onderscheidde was de combinatie van zijn aangeboren lul-zijn met een zweempje Bay Area-aanmatiging.’

Ayn Rand

Kobek beperkt zich niet tot de negatieve economische en sociale gevolgen van internet, maar behandelt ook de ideologie van de techgoden in Silicon Valley. Zoals zo veel neo-liberalen zijn ze aanhanger van het gedachtegoed van Ayn Rand, de schrijfster van The Fountainhead (1943) en Atlas Shrugged (1957). Kern van Rands opvattingen is dat ondernemers, scheppende kunstenaars en rijken niets in de weg moet worden gelegd. Elke keer als haar naam voorkomt, voegt Kobek er aan toe dat voor Rand ‘uitkeringstrekkers uitschot waren die het verdienden in de goot te creperen.’

Het racisme in Silicon Valley en de VS behandelt hij op soortgelijke wijze. Al in het begin van Ik haat het internet legt hij uit dat ras niets anders is dan een ‘sociale constructie’ en dat een mensenhuid donkerder is naarmate er ‘meer melamine in de kiemlaag van de opperhuid zit.’ Vervolgens vermeldt hij bij bijna alle figuren of hun huid geen, weinig of veel melamine bevat – meestal hebben ze helemaal geen melamine.

Behalve veel herhalingen, legt Kobek ook veel dingen, diensten en verschijnselen op een quasi-naïeve wijze uit. Zo schrijft hij over twitter dat het een ‘systeem was waarmee mensen korte berichten naar computers en telefoons konden versturen’. Ongetwijfeld heeft hij dit als gimmick bedoeld, maar grappig wordt het hoogst zelden.

Met Ik haat het internet, een roman over de ontwrichtende economische en sociale gevolgen van internet in de vorm van een satirische zedenschets van het huidige San Francisco, heeft Kobek veel te veel gewild. Het is alsof hij dit zelf ook door heeft. Zo begint hij ‘(het voormalige) hoofdstuk vijfentwintig’ met de opmerking dat het gesneuveld is omdat het ‘niet veel soeps was’. Hierna volgen toch ‘enkele belangrijke punten’ die er een plek in hadden moeten krijgen. Na de opsomming hiervan schrijft hij ten slotte: ‘Hoe dan ook, de fatale fout van het hoofdstuk was dat het al deze ideeën niet tot een geheel kon maken. Het waren losse draadjes van een onsamenhangend tapijt.’ Dit is een treffende karakterisering van het hele boek.