Regen, kou, chaos en elke dag uitgescholden

Verkeersregelaars

Lange dagen maken ze, in weer en wind, middenin de verkeerschaos, en dagelijks uitgescholden worden is normaal. „Je moet sterk in je schoenen staan.”

Foto Jordy Rietbroek

‘Ho! Hé! Hallo mevrouwtje! Waar zijn we nou helemaal mee bezig?” Het plat Rotterdamse accent van verkeersregelaar Peter overstemt het gerinkel van de trams, het gepiep van de rails en de werkzaamheden op het Leidseplein. Het ‘mevrouwtje’ loopt achteloos, al kijkend op haar telefoon, Peters overgang op. „Hé! Mevrouwtje, wat zeg ik nou?”

Peter (57) brengt met enkele gebaren twee trams en een taxi tot stilstand en gaat pal voor de vrouw staan. De vrouw maakt een wegwerpgebaar, kijkt geïrriteerd naar Peter en doet toch maar een stapje terug. „Ze proberen het elke keer en reageren dan boos, maar ik sta hier voor hun veiligheid, niet voor mezelf.”

Vanuit welke richting je het Leidseplein ook probeert op te rijden, overal staan grijze hekken. Er zijn omvangrijke werkzaamheden op en rondom het plein. Tramrails en gasleidingen worden vervangen en het plein opnieuw ingedeeld. Waar geen hekken staan, staan verkeersregelaars. Gehuld in fluorescerende, geeloranje jassen en broeken.

Verkeersregelaars zijn een onderdeel geworden van het Amsterdamse straatbeeld. Op tientallen plekken als de Stadhouderskade, Prins Hendrikkade en Marnixstraat regelen ze het verkeer. Op het Leidseplein heeft Michiel Otto vandaag de leiding. „We staan hier dagelijks met veertien man sterk”, zegt de 29-jarige coördinator. Michiel zit al vier jaar in het vak en heeft naar eigen zeggen alles al een keer meegemaakt.

Geen baan voor mietjes

Uitgescholden worden, dagenlang in de kou en regen staan en aanrijdingen: „Het overkomt elke verkeersregelaar.” Het is geen baan voor mietjes, zegt Michiel. „Je moet sterk in je schoenen staan, het niet erg vinden buiten te staan en van mensen houden.” Vooral dat laatste is soms moeilijk. „Mensen komen aanrijden en dan zie je ze al denken: ‘heb je hun weer’.”

Mensen denken dat het een makkelijk baantje is, zegt Michiel. „Dat is het absoluut niet. Veel mensen melden zich na twee dagen ziek en zie ik nooit meer terug.” Je moet het echt willen, zegt Michiel.

Ook fysiek is het zwaar. „Daarom rouleer ik zoveel mogelijk door. Daardoor staan mensen af en toe met z’n tweeën en kunnen ze wat uitrusten.” Ze wisselen ook van positie. „Dan wordt het niet saai, dan blijf je gefocust.”

Agressief rijdende taxichauffeurs, „jongens en meisjes met bontkraagjes op scooters” die nog snel even langs hem zoeven, trambestuurders die vinden dat ze te lang stilstaan. Je hoeft maar een kwartier naast Peter te staan en ze komen allemaal voorbij.

We schijten allemaal op dezelfde pot

„Er komen hier mensen in alle kleuren van de regenboog. Met niemand heb ik problemen.” Alleen de oudere Amsterdammers op de fiets willen niet luisteren, zegt Peter. „Ze hebben zo’n aktetasje en zijn netjes gekleed en denken het beter te weten; het is hún stad.” Daar gaat Peter niet in mee. „We zijn allemaal gelijk. We schijten allemaal op dezelfde pot.”

Daar waar Peter zijn overgang runt als de kroeg waar hij hiervoor werkte, pakt Mandy Jacklyn (31) het anders aan. „Ik sta er als een soort vrolijke minion.” Ze danst af en toe een beetje, tot genoegen van de mensen die oversteken. „Dat doe ik ook om het niet koud te krijgen.” En zelfs dan krijgt ze af en toe dingen naar haar hoofd geslingerd. „Ik ben net nog uitgemaakt voor kutwijf.”

Ze probeert oogcontact te maken met mensen. „Maar iedereen tuurt naar zijn mobieltje, dan zien ze mijn signalen niet eens.” Daarom draagt ze een fluitje. „Zelfs dan reageren ze soms niet. Als ik mijn werk niet goed doe, gaat het goed mis.”

Mandy, ook uit Rotterdam, staat er 11 uur per dag, net als haar collega’s. „Inclusief een uur pauze”, zegt Mandy. Dat uurtje is niet even lekker in de bedrijfskantine opwarmen. „Als er een bankje is, gaan we daar zitten. Soms leun ik tegen een paaltje aan.” En dan eet ze haar bammetjes, of wat ze mee heeft van huis. „We hebben een keer een frietje van de zaak gekregen als avondeten. Alle andere avonden regelen we het zelf. Geld om elke avond iets te halen heb ik niet.”

Omdat het zo’n zwaar beroep is, is Michiel erg zorgzaam voor zijn verkeersregelaars. „Niet iedereen heeft het even breed, dus neem ik koffie, snoepjes en koeken mee of haal ik ze op met de auto.” Michiel komt elke dag uit Brabant rijden en maakt dagen van 11 uur. „Ik heb geluk als ik vijf uur slaap.”

Wandelend VVV-kantoor

Op het Leidseplein regelen ze niet alleen het verkeer, zegt Michiel. „We zijn een soort wandelend VVV-kantoor. Ik heb gevraagd of we ook zo’n logootje op onze helm kunnen krijgen.” Terwijl hij het zegt tikt een Frans stel hem aan. Of hij weet waar het Centraal Station is. „Yes, that way!”, zegt hij trots. „Wel handig, je leert wel de stad kennen.”

De accenten van de verkeersregelaars staan vaak in schril contrast met het Amsterdamse. Zijn er dan geen regelaars uit de regio? Jawel, zegt Michiel. „Maar er zijn er bij lange na niet genoeg. Uit het hele land worden verkeersregelaars geïmporteerd voor grote projecten in de Randstad.” Hij is blij wanneer hij weer eens in een afgelegen dorpje mag staan. „De mensen luisteren daar en zijn blij dat er eindelijk iets aan hun weg gedaan wordt.”

„Hé, ben jij Amsterdammer?” Peter kijkt verbaasd, bijna gekwetst, naar de oudere man die in een bruine ribstofjas ‘zijn’ overgang passeert. „Nee, dat ken je toch horen? Jij bent er zeker wel een.” Ja, dat is de 70-jarige Maarten Pels. Hij woont nu in Sloten, maar woonde jarenlang op de Nieuwezijds Kolk. „Toen reed ik nog gewoon met de auto over de Leidsestraat.”

Hij snapt dat er zoveel werkzaamheden nodig zijn om de stad draaiende te houden. „Maar eigenlijk is het allemaal te vol voor die onzin. Het is te druk.” In de eeuwige bouwput herkent hij ‘zijn’ Amsterdam niet meer terug. Peter schudt zijn hoofd. Voor sentiment geen ruimte. „Meneertje, wilt u even doorlopen? Ik ben gewoon aan het werk. Dank u.”