Recensie

Europa in de eeuw van de macht (1815 tot 1914)

Richard J. Evans

Deze vermaarde Britse historicus laat in zijn geschiedenis van Europa in de 19de eeuw zien dat ons continent over een gemeenschappelijke geschiedenis beschikt, waarin ondanks de nationale verschillen de meeste ontwikkelingen gelijk opgaan.

Poster van Robert Falcucci, Foto Getty Images

Toen Vladimir Poetin ruim twee jaar geleden de Krim annexeerde, reageerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry met wat hij zelf waarschijnlijk als een dodelijke veroordeling beschouwde: ‘Je valt niet zomaar uit eigenbelang onder valse voorwendselen een land binnen. Dat is gedrag uit de 19de in de 21ste eeuw.’ Honende twitteraars begonnen meteen over de invasie van Irak, maar het punt dat Kerry wilde maken was duidelijk – in een geglobaliseerde wereld, waarin men zich van zijn onderlinge verknooptheid en wederzijdse afhankelijkheid bewust is en bovendien soevereiniteit van landen en volkeren nog altijd als leidend principe geldt, is klakkeloze annexatie van een omstreden gebied uit zuivere machtshonger een terugval, een primitieve oprisping. Zo doen we dat niet meer.

Maar als De eeuw van de macht, de grote, duizelingwekkende geschiedenis van Europa in de eeuw tussen de Slag bij Waterloo en het begin van de Eerste Wereldoorlog van de Britse historicus Richard J. Evans iets laat zien, is dat de negentiende eeuw minder ver van onze eigen tijd afstaat dan we geneigd zijn te denken. Het boek van Evans verscheen als deel zeven in de nieuwe serie Penguin History of Europe, waarvan de afzonderlijke delen stuk voor stuk geschreven zijn door gerenommeerde historici als Mark Greengrass en Ian Kershaw. Deel zes, geschreven door Tim Blanning, loopt van 1648 tot 1815 en heet The Pursuit of Glory. Evans (1947) ziet als een rode draad door ‘zijn’ eeuw niet het najagen van glorie, maar van macht.

Twee gezichten

Dat begrip had in de negentiende eeuw twee gezichten: allereerst kun je de eeuw zien als een langgerekte strijd voor zeggenschap en zelfbeschikking, van de lijfeigenen, van armen, vrouwen, van arbeiders en ook van burgers. Tegelijkertijd was het natuurlijk de eeuw waarin de koloniale expansie ideologisch gestut werd door het imperialisme, de eeuw waarin nationalisme de magie van het koningschap verving en waarin de natuur met nieuwe technologie steeds meer aan de mens onderworpen werd. De strijd voor meer zeggenschap van de stem- en machtelozen en het verlangen tot dominantie, onderdrukking en brute uitbuiting vormen samen de dynamiek die de eeuw volgens Evans in zijn greep hield.

Ook het nationalisme, dat negentiende-eeuwse fenomeen bij uitstek, kende die dynamiek. Aanvankelijk ging het, zoals in Polen, om volkeren die zich van het juk van een ander volk wilden bevrijden, of, zoals in Italië en Duitsland, om versplinterde volkeren die eenheid zochten; het gierende, militaristische nationalisme, dat met steeds extremere politiek superioriteit boven andere naties beleed, domineerde Europa steeds sterker na de gefnuikte revoluties van 1848 en eindigde uiteindelijk in de verschrikkingen van 1914-1918.

In de visie van Evans lag Europa in de eeuw die daaraan voorafging vooral in de schaduw van de Franse Revolutie en Napoleon. Evans: ‘In 1815, en nog tot lange tijd daarna, waren Europese staatsmannen en politici steeds tot de conclusie gekomen dat internationale samenwerking de manier was om een herhaling van een sociale en politieke revolutie te voorkomen. Het verlies van mensenlevens en de massale verwoestingen die de legers van de Franse revolutionairen en hun opvolger Napoleon overal in Europa hadden veroorzaakt, moest met het herstel van de maatschappelijke en politieke orde voortaan worden voorkomen.’

Na de val van Napoleon was er de mogendheden die samenkwamen op het Congres van Wenen alles aan gelegen een nieuwe catastrofe te vermijden. Dat leidde in de meeste landen tot een restauratie en een, soms paranoïde, angst voor revolte en revolutie. Tegelijkertijd bleef veel wetgeving van Napoleon, die grotendeels voortkwam uit de Franse Revolutie, behouden; van een werkelijke restauratie van het ancien régime was geen sprake. Napoleon, en de Franse Revolutie, waren zowel een bron van inspiratie van opstandelingen, radicalen en revolutionairen, als een constante waarschuwing voor de machthebbers.

De paradox die Evans keer op keer laat zien, is dat de conservatieve koningen en hun ministers vaak hervormingen toestonden om een dreigende opstand af te wenden. Zo bleef de bestaande orde grotendeels overeind, maar vond, met vallen en opstaan, een groeiende emancipatie van de gewone man plaats.

De revoluties van 1830 en 1848 waren schokgolven, maar geen echte omwentelingen. En hoewel de negentiende eeuw zeker niet zonder oorlogen was, fungeerde de herinnering aan Napoleon lang als een ‘nooit weer!’ – en vaak met succes, stelt Evans. ‘De Britse wereldheerschappij had voorkomen dat koloniale en imperiale conflicten de rust in Europa verstoorden. De Europese mogendheden hadden slechts een beperkt aantal oorlogen uitgevochten, met een beperkt doel en met beperkte middelen.’

Helikopterblik

De geschiedenis van Evans is waarlijk Europees; hij beschikt bovendien over een fenomenale beheersing van zijn materiaal. Alles en iedereen komt aan bod, de politieke en sociale geschiedenissen van de afzonderlijke Europese mogendheden worden soepel met elkaar vervlochten.

Om de onpersoonlijkheid van een dergelijke helikopterblik te vermijden, een relaas van louter duiding van feiten en cijfers, zoemt hij aan het begin van ieder hoofdstuk in op een leven dat voor hem exemplarisch is voor de spanningen van die tijd – een rekruut die Napoleons terugtocht uit Rusland meemaakte, de vroeg-feministische schrijfster Flora Tristan, de populaire Zweedse schrijfster Fredrika Bremer, de Hongaarse dichter Bertalan Szemere en de Britse suffragette Emmeline Pankhurst. Die vignetjes zijn goed geschreven en brengen de geschiedenis van de negentiende eeuw meteen tot leven.

Deze Britse historicus beschikt over een fenomenale beheersing van zijn materiaal

Tegelijk roepen ze het verlangen, in iedere geval bij deze lezer, naar meer geschiedenis ‘vanaf de grond’ op. Omdat Evans zoveel te vertellen heeft, en alle getallen en percentages over landbouw, bevolking, industrie en wat al niet paraat heeft, werd ik tijdens het lezen van De eeuw van de macht regelmatig overvallen naar het verlangen om even ergens bij stil te staan, bij een figuur als Tocqueville, Metternich of Robert Peel, om zomaar een greep te doen.

Er wordt veel genoemd, en nog meer opgesomd in De eeuw van de macht, maar de meeste feiten en personen krijgen niet veel reliëf, ze zijn deel van de grote stroom van de geschiedenis. Dat is de prijs die je betaalt voor een relaas op deze schaal dat zich bovendien als deel van een nieuwe gezaghebbende, Europese geschiedenis moet bewijzen.

De grote Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) had aan het einde van zijn leven oog voor een ontwikkeling waarin geschiedenis steeds meer wordt tot een relaas van krachten, politieke, sociaal-culturele en vooral economische, en waarbij de statistiek belangrijker wordt dan de biografie van grote historische figuren. Dat was allemaal winst, maar er kleefde ook een groot bezwaar aan, aldus Huizinga: ‘In het getal bezwijkt het verhaal.’ Evans is zich daar terdege van bewust en probeert dat effect te verzachten met zijn vignetten van persoonlijkheden, maar het blijft hier en daar wringen.

Lotsbestemming

Er staat meer dan genoeg tegenover. Door zijn aanpak laat Evans overtuigend zien dat Europa over een gemeenschappelijke geschiedenis beschikt, waarin de afzonderlijke, nationale geschiedenissen ieder een aparte culturele en politieke smaak en kleur hebben, maar waarin de meeste ontwikkelingen wel degelijk gelijk opgaan. Dat de vrede relatief lang bewaard kon blijven, was meestal het resultaat van welbegrepen eigenbelang; dat de rechten van onmondige boeren, burgers en minderheden gaandeweg werden uitgebreid, eveneens. Ook de ideologieën waarmee het kolonialisme werd onderbouwd waren gemeengoed.

En wanneer in tweede helft van de negentiende eeuw het nationalisme zich verhardt, het imperialisme als een onwrikbare Europese lotsbestemming wordt gezien, en het racisme virulente trekken krijgt, gaat men gezamenlijk een cataclysme tegemoet. Daarbij is de schuldvraag weliswaar interessant, maar misschien ook van niet zoveel betekenis, omdat de tendensen die tot de Eerste Wereldoorlog leidden, overal in Europa aanwezig waren. Om dat te onderstrepen eindigt Evans zijn boek met de profetische uitspraak van de Britse minister van Buitenlandse Zaken Sir Edward Gray, die zich op 3 augustus 1914 in zijn ministerie tot een vriend richt: ‘Overal in Europa gaan de lichten uit en we zullen ze van onze levensdagen niet meer ontstoken zien worden.’

Naschrift (20 januari 2017) Tim Blannings ‘The Pursuit of Glory’ beschrijft de periode van 1648 tot 1815, niet tot 1915, zoals abusievelijk in een eerdere versie van dit stuk stond [red.]