Nrc Recht

Machtige misdaadprogramma’s stellen politie voor dilemma’s

Politiecolumn Misdaadverslaggevers hebben zich op tv ontwikkeld tot rechercheurs, presentatoren en ondernemers. Dat biedt nieuwe mogelijkheden voor de opsporing. Maar hoe om te gaan met de invloed van misdaadprogramma’s op de prioriteiten van de politie?

John van den Heuvel is met een team van het televisieprogramma  ‘Ontvoerd’ naar India geweest, op zoek naar de vermiste peuter Insiya Heman die in Amsterdam werd ontvoerd, waarschijnlijk door de vader.  Van den Heuvel  reisde als journalist en dus als vrije nieuwsgaarder gewoon af naar India en begon daar te zoeken.

Rechercheurs kunnen dat niet. Die moeten wachten op toestemming van de Indiase regering, meestal via een internationaal rechtshulpverzoek. Traagheid is troef en wie kan daar op wachten? En als de rechercheurs eenmaal in India zijn, lopen ze mee aan de hand van Indiase collega’s en zijn van hun bereidheid en mogelijkheden afhankelijk. Het had zo maar kunnen zijn dat Van den Heuvel de peuter vond en vervolgens Nederlandse en Indiase overheden zo ver had gekregen om snel actie te ondernemen.  Het zou een spectaculair succes geweest zijn.

Journalist-rechercheurs winnen aan kracht

Media en journalisten spelen een eigen rol bij de opsporing. In het klassieke patroon spoort de recherche op en verslaan journalisten daarna het misdrijf met gegevens van de politie  en wat interviews. Dat nu is een ver verleden geworden. Journalisten gaan zelf aan de slag met het blootleggen van onrecht en het opsporen van daders.  Televisieprogramma’s als Undercover in Nederland, Op de vlucht, Ontvoerd, Opgelicht en Internetpesters aangepakt,  van verslaggevers zoals  Peter R. de Vries en  John van de Heuvel spelen  een heel actieve rol bij het agenderen van misdaadproblemen, bij het doen van onderzoek naar misdrijven en bij het opsporen van daders of vermisten.

Het is een nieuwe vorm van misdaadbestrijding, die gebruik maakt van journalistieke middelen en journalistieke vrijheid en van de bronbescherming van journalisten. Door het  gebruik van televisie en nu ook van social media heeft deze vorm sterk aan kracht gewonnen. Hij is in Nederland ontwikkeld door de pioniers in de branche; je zou ze ”journalisten-rechercheurs” kunnen noemen. Ze hebben een groot netwerk  binnen de onderwereld en ook binnen de opsporingsdiensten, ze hebben verstand van politiewerk en van criminele netwerken. Het zijn goede presentatoren. Het zijn bekende Nederlanders geworden die, toegankelijk als ze zijn, benaderd worden door mensen die informatie willen delen, of slachtoffer zijn van misdrijven en bij de politie onvoldoende gehoor vinden.  Het zijn  journalisten-rechercheurs-presentatoren geworden en bekende Nederlanders. Ondernemers ook.

‘Shaming’ via de tv kan voldoende zijn

De politie wordt ingeschakeld wanneer de journalist voldoende gegevens heeft en een aanhouding nuttig vindt voor zijn project. Doorgaans wordt de politie dan tevens deel van een televisieprogramma: eind goed al goed, de dader wordt opgepakt. Soms ook vindt afdoening buiten de politie om plaats, als bijvoorbeeld een stalker belooft zich onder behandeling laat stellen omdat hij psychische problemen heeft, of een oplichter  belooft de benadeelden terug te betalen. “Shaming” via de televisie of de dreiging daarmee  kan voldoende zijn om genoegdoening te verschaffen.

Kenmerkend is  hier dat het initiatief voor de opsporing niet meer ligt bij de overheid, maar bij nieuwsmedia. Dat bij de keuze van de aanpak van een zaak voor de televisie andere criteria gelden dan die van het O.M. en de politie laat zich raden. Nieuwswaarde, kijkcijfers en verdienmodellen van commerciële omroeporganisaties leiden tot andere voorkeuren dan noties van algemeen belang  en gelijke rechtsbedeling.

Het programma bepaalt de zaak die wordt aangepakt

Er is zo niet alleen een nieuwe vorm van misdaadbestrijding ontstaan, maar ook een andere sturing. De programmaleiding van de omroep  bepaalt welke zaak wordt aangepakt. En wanneer er resultaten zijn en de politie wordt benaderd met de vraag om medewerking,  is het voor de politie lastig om niet mee te werken aan de ontknoping. Het publiek zou dat niet begrijpen. Macht van media. De politie staat voor het blok, overigens allang niet meer met diepe tegenzin. De weerstand tegen het werk van misdaadverslaggevers is veranderd in sympathie voor hun werk, een vaak welkome aanvulling. Tegelijkertijd  komt wel de vraag op of het goed is dat media  de prioritering van het werk van O.M. en politie gaan beïnvloeden. Is het juist dat misdaadprogramma’s de inzet van politiecapaciteit gaan beïnvloeden?

Er is dus een nieuwe vorm van misdaadbestrijding ontstaan met andere mogelijkheden dan die van de politie. Het gaat niet om grote aantallen nog, dus de feitelijke bijdrage aan criminaliteitsbestrijding en veiligheidsgevoel is nog gering.  Maar de vraag moet toch al gesteld worden hoe de rechtshandhaving en de opsporing door de overheid zich zou moeten verhouden tot die van televisieprogramma’s en wellicht binnenkort tot die via social media.

De Politiecolumn wordt wekelijks geschreven door deskundigen uit de politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten.

    • Piet van Reenen