Recensie

Lang in de ban van de bom

Sam Goudsmit (1902-1978)

In 1944 onderzocht deze natuurkundige het Duitse atoomproject. ‘Het is nog geen verstuikte enkel van een geallieerde parachutist waard’, vond hij.

Sam Goudsmit (l.) in de jeep van luitenant Toepel tijdens de Alsos-missie in Stadtilm, Duitsland, 16 april 1945 Foto Malcolm Thurgood/AIP Emilio Segre Visual Arts

Jongens waren het, maar slimme jongens. In de jaren twintig zette een stel twintigers de natuurkunde op zijn kop. Zij ontwikkelden de quantummechanica, de natuurkundige theorie die de wereld van het allerkleinste, die van atomen en elektronen, beschrijft. Ook twee Nederlandse studenten, leverden een belangrijke bijdrage aan wat de Knabenphysik zou gaan heten. Sam Goudsmit (1902-1978) en George Uhlenbeck (1900-1988) werden door hun hoogleraar in Leiden gestimuleerd om een wild idee te publiceren. Later zou blijken dat het idee dat elektronen om hun eigen as draaiden op verschillende plaatsen rond zong, maar zij waren de eersten die er mee voor de dag kwamen. Het zou hun levens bepalen, want het verschafte hen toegang tot de nieuwe wereld.

In de VS ging de ontwikkeling van de wetenschap razendsnel en men had dringend behoefte aan talent uit Europa. Goudsmit gaf zijn baan als leraar natuurkunde op en vertrok als assistent-professor naar Michigan. Zo ontsnapte hij als jood aan de verschrikkingen die Europa zouden teisteren. Veel nieuws zou hij niet meer ontdekken, maar dat wetenschapsjournalist Martijn van Calmthout (1961) zijn leven nu heeft geboekstaafd, komt vooral omdat Goudsmit als hoofd van de geallieerde Alsos-missie tegen het eind van WO II Europa werd ingestuurd om uit te vinden hoe ver nazi-Duitsland was met zijn atoomprogramma. Geen wonder dat juist hij wordt uitgekozen: hij is wetenschappelijk goed op de hoogte, vormt geen veiligheidsrisico omdat hij niet bij het Amerikaanse atoomonderzoek betrokken is, kent de meeste betrokken wetenschappers aan beide zijden en spreekt zijn talen.

Eenmaal in Europa is het Goudsmit al in november 1944 duidelijk dat er geen Duitse atoombom is, sterker nog, dat de Duitsers daar nog helemaal niet over nagedacht hebben. Toch moet hij van zijn bazen in Washington blijven zoeken: men is bang dat de Duitsers hem om de tuin leiden. Pas als hij een half jaar later documenten in handen krijgt die het hele Duitse programma in kaart brengen, wordt de Amerikaanse president meegedeeld dat ze de jackpot binnen hebben. ‘Het Duitse atoomproject is nog geen verstuikte enkel van een geallieerde parachutist waard’, zo moet Goudsmit gezegd hebben.

Waarom de Duitsers niet ver zijn gekomen, zal na de oorlog een enorm strijdpunt worden tussen de geniale Werner Heisenberg (1901-1976), de de facto leider van het project aan Duitse zijde, en Goudsmit, en houdt nog steeds historici bezig. Heisenberg blijft koppig volhouden dat er uitsluitend is gewerkt aan de ontwikkeling van een kernreactor om energie op te wekken, terwijl Goudsmit alleen maar kan concluderen dat het zijn vriend aan inzicht heeft ontbroken én vooral dat het Duitse totalitaire regime de wetenschap heeft verstikt.

De brain drain van Duitse geleerden naar met name de VS zorgde er inderdaad voor dat Duitsland zijn leidende positie in de natuurwetenschappen zou verliezen. Na publicatie van Goudsmits ervaringen in Europa in zijn boek Alsos ( 1946), bestoken de vroegere vrienden Goudsmit en Heisenberg elkaar in artikelen, zonder nader tot elkaar te komen.

Gezaghebbend

Goudsmit draagt na de oorlog niet veel meer bij aan de ontwikkeling van de fundamentele natuurkunde. Dat laat niet onverlet dat hij als editor het vaktijdschrift Physical Review (Letters) laat uitgroeien tot het gezaghebbendste binnen de natuurkunde. Ook blijft hij zich uitspreken over kwesties die met het atoomprogramma te maken hebben. Bijvoorbeeld als in Nederland in 1960 de Cellastic-affaire losbarst, die hij zelf in zijn boek aan het rollen had gebracht. Het betreft een schimmige firma in Parijs, gespecialiseerd in wetenschappelijke octrooien, die tijdens de oorlog zou hebben gediend als dekmantel voor atoomspionage van vier Nederlandse geleerden, onder wie Jacob Kistenmaker, de latere grondlegger van de ultracentrifugemethode, waarmee uranium kan worden verrijkt.

Goudsmit komt ook fel in het geweer als in de McCarthy-jaren de security clearance van Robert Oppenheimer wordt ingetrokken. Ineens is de gevierde leider van het Manhattan-project, dat de atoombom ontwikkelde, een ‘staatsgevaarlijk individu’ en raakt hij zijn politieke invloed op nucleaire kwesties kwijt: ‘Het schorsen van een wetenschapper met zulke unieke en bijzondere capaciteiten maakt ons wetenschappelijk zwakker en speelt onze vijanden direct in de kaart.’ Ook spreekt hij zich uit tegen haviken als Edward Teller, Oppenheimers opponent.

Goudsmits leven biedt Van Calmthout een aardige kapstok om niet alleen diens oorlogservaringen maar ook latere historische ontwikkelingen te schetsen op het gebied van kernwapens. Hij doet dat vaardig, maar gaat niet veel verder. Hij schenkt bijvoorbeeld weinig aandacht aan de felle discussies onder historici over een heikel onderwerp als de rol van Heisenberg in de oorlog, en, terwijl hem toch Goudsmits volledig archief ter beschikking stond, komt diens persoonlijk leven er wat bekaaid vanaf. Goudsmit mag dan in wetenschappelijk opzicht niet een van de groten zijn geweest, zijn leven biedt voldoende stof voor een interessante biografie. Die is helaas niet helemaal uit de verf gekomen.