Jan Terlouw

Het memorabele optreden van Jan Terlouw in De Wereld Draait Door bracht allerlei herinneringen bij mij boven. In de eerste plaats aan dat ‘touwtje uit de brievenbus’ van vroeger, toen hij nog met zijn jonge gezin in Utrecht woonde. Hij zag het als symbool van een periode – de jaren vijftig, zestig – waarin de mensen elkaar nog vertrouwden. „En we zeiden: Make love, not war. Natuurlijk was er kritiek op de regering, maar we wantrouwden ze niet. De regering had moreel gezag in die tijd. En nu is het 2016 en er zijn veel dingen veranderd.”

Wanneer zou dat touwtje uit de brievenbussen verdwenen zijn? Ik schat in de loop van de jaren zeventig, althans in het stedelijke leven, toen de harddrugs in opmars waren en veel junkies met inbraken hun verslaving financierden. Wie toen nog een touwtje uit de deur liet bengelen, kreeg problemen met de verzekering.

Het was ook toen lang niet allemaal „make love, not war” dat de tijdgeest bepaalde.

Het touwtje is een fraaie metafoor voor alles wat er sindsdien uit de samenleving verdwenen is, en Terlouw heeft zeker een punt als hij verwijst naar het huidige wantrouwen tussen overheid en burgers. Ook is het waar dat de regering toen nog moreel gezag had. Maar verder ruikt dat touwtje ook een beetje naar nostalgie, een prettig sentiment dat echter ook op zijn beurt enig wantrouwen verdient.

Want het was ook toen lang niet allemaal „make love, not war” dat de tijdgeest bepaalde. Er was in Vietnam een vreselijke oorlog gaande, die in het Westen veel verdeeldheid zaaide, en in allerlei landen veroorzaakte ook de democratiseringsgolf de nodige onrust, tot revoltes (Parijs! Tilburg!) aan toe.

De politiek was ook in die jaren al een slangenkuil waarin het moeilijk overleven was. Terlouw kan daar zelf van meepraten. Ik zocht hem in 1989 op voor een interview in deze krant. Hij was toen 57 jaar en secretaris-generaal van een zusterorganisatie van de OESO in Parijs. Hij bleek bereid zo open mogelijk terug te blikken op zijn politieke leven.

Hij vertelde over zijn botsingen in D66 met Hans van Mierlo en in het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982) met Joop den Uyl; Terlouw was toen minister van Economische Zaken, Den Uyl van Sociale Zaken. „Toch heb ik aan de mens Den Uyl nooit een hekel gekregen”, vertelde hij. „Hij kon ook een grote charme hebben, en ik geloofde in zijn integriteit. Maar het ging me aan het hart dat hij dat kabinet zo volledig verpestte. Ik had ernaar uitgezien om op EZ te zitten en te regeren.”

In de verkiezingen van 1982 daalde D66 van zeventien (veroverd dankzij vooral Terlouw) naar zes zetels, waarna hij gedesillusioneerd naar Parijs vertrok. „Ik had inderdaad het gevoel dat iedereen in Nederland een hekel aan me had. Ik zag heel Nederland als een vijandige omgeving. Ik voelde me verguisd door mijn partij die me na zoveel jaren wel erg weinig krediet had gegeven, en door de pers.”

Als voorbereiding op het interview met Terlouw had ik met enkele voormalige topambtenaren van EZ gesproken. Zij noemden hem „in het steekspel met de andere ministers vaak te eerlijk en te ethisch”. „Hij was zeer intelligent, maar door zijn karakter redde hij het niet in het systeem.”

Het touwtje was toen al uit de brievenbus gehaald – en kwam er niet meer in. Maar Nederland zal zeker na deze week nooit meer een hekel aan hem krijgen.