Column

Hongerkunstenaars

christiaanweijts0

December alweer. Ik stel me elk jaar voor dat ergens een regisseur zit die dan „Changement!” schreeuwt, waarop elke straat in Nederland ijlings boomlampjes krijgt en een oliebollenkraam. Ander vast decorstuk: het hoofdkwartier van de jaarlijkse liefdadigheid. Donderdag wordt het Glazen Huis opgebouwd in Breda, en zelfs de bouwers lijken het wat beu.

„Voor vijfenhalve ton laat ik me ook wel opsluiten!” roept er een, met een capuchon over z’n petje, naar twee collega’s bovenin een hoge steiger. Ze zijn gezekerd als bergbeklimmers en knopen een touw om steigerdelen, om die omhoog te hijsen.

Het is op de Grote Markt een komen en gaan van busjes, vrachtwagens (‘convoi exceptionnel’) en bouwers van verschillende divisies, met de portofoons losjes in de kontzak. „En al die kinderen maar spaargeld brengen.”

Het geklaag over het salaris van Giel Beelen (dit jaar juist niet van de partij) is even voorspelbaar als alles in december. De jaaroverzichten, de lijstjes, de familiebezoeken: we houden er niet echt van, maar we willen ze ook niet missen. Iets in ons snakt juist naar zekerheid en herhaling. Vandaar de routine waarin onze rituelen zijn verzand in deze maand van motregen. Vandaar dat ironische ondertoontje waarop we erover praten.

‘Ik weet seriéús niet wat ik met Kerst moet doen.” Twee vriendinnen, begin dertig, strijken neer in een café naast de steigerbouwers. Op het raam hangt een postertje met het goede doel van dit jaar. „Laat ze niet stikken”: kinderen die wereldwijd sterven aan longontsteking.

Al twee jaar daalt de totaalopbrengst van Serious Request. Gaat dit doel eindelijk weer een recordbedrag opleveren? De dames betwijfelen dit. „Ik lees net dat één op de vijf kinderen in Groningen in armoede opgroeit. Dan denk ik: eerst de problemen hier maar oplossen.”

Kafka schreef in 1922 Een Hongerkunstenaar, over een man die vasten tot succesvolle variétéact verhief maar uiteindelijk uit de mode raakte. Het is alsof Kafka het over Giel Beelen heeft als hij schrijft: „De doodgeknuffelde hongerartiest werd plotseling in de steek gelaten door zijn vroegere fans.”

Twaalf jaar terug, toen het begon, warenprograma’s als Big Brother en De Gouden Kooi nog opzienbarend. Opgesloten zijn onder permanent publiekstoezicht; wie kijkt er nog van op in dit tijdperk van nooit meer offline? In het beste geval zal het Glazen Huis overleven als zo’n ironische decemberroutine.

Bij een kraampje voor het station koop ik een oliebol, mijn eerste dit jaar. En ik hou niet eens van oliebollen.

Christiaan Weijts schrijft hier elke vrijdag een column, op andere dagen doen Tom-Jan Meeus en Jutta Chorus dit.