Hollands kanonnenvoer voor Napoleon

Leger Zo’n 60.000 Nederlanders vochten tussen 1806 en 1814 voor Napoleon. De Fransen vonden de Nederlanders watjes. Onderzoeker Christiaan van der Spek laat zien dat ze ook hun mannetje konden staan.

Afbeeldingen uit besproken boek

Wat was die Napoleon een aardige man! Het was november 1811 en de Nederlandse luitenant Arnold van Iddekinge werd tijdens een parade voorgesteld aan de Franse keizer, die zowaar een praatje met hem aanknoopte. In een brief aan zijn moeder deed Van Iddekinge op ademloze wijze verslag van dit onderhoud. Napoleon had hem gecomplimenteerd met zijn beheersing van het Frans. De Nederlander zwijmelde: ‘Ja lieve Moeder, geen generaal heeft mij ooit nog zo vriendelijk aangesproken als deze monarch en ik voelde dus ook niet de minste vrees; het was even zo alsof ik met u sprak.’ Hoewel het gesprek met Napoleon waarschijnlijk niet meer dan enkele ogenblikken duurde, schreef de luitenant aan het thuisfront dat hij ‘toch bijna een kwartier’ met de vermaarde veldheer had geconverseerd.

De magische uitwerking die Napoleon op ondergeschikten had, beperkte zich duidelijk niet alleen tot Franse militairen. Ook de Nederlanders die onder zijn vaandel dienden, waren vatbaar voor het keizerlijk charisma. Een andere Nederlandse officier schreef dat de aanwezigheid van Napoleon ervoor zorgde dat alles en iedereen ‘geëlectriseerd en opnieuw aangevuurd’ werd. Zijn uitstraling zorgde ervoor dat ‘rampspoeden, smart en lijden waren vergeten’.

Tussen 1806 en 1814 vochten circa 60.000 Nederlanders voor de Franse keizer. Als onderdanen van koning Lodewijk Napoleon en na de inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk rechtstreeks onder Napoleon Bonaparte. Christiaan van der Spek, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, promoveerde woensdag op Sous les armes, een studie naar het functioneren van het Hollandse leger in deze tijd.

Enorme impact op hele samenleving

Het waren ingrijpende jaren voor de Nederlandse samenleving, en voor de militairen die op slagvelden overal in Europa in het krijt traden. Hollanders vochten mee in Pruisen, Spanje, Polen en Rusland. Van de 60.000 mannen die voor de keizer de wapens opnamen – aanvankelijk allemaal vrijwilligers, maar vanaf 1811 voornamelijk dienstplichtigen – stierven er 20.000 door ziekte, honger en oorlogsgeweld. Dat was één procent van de bevolking van ongeveer twee miljoen. Ter vergelijking: tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelden er 2.000 landmachtmilitairen op een bevolking van negen miljoen zielen.

De eerste jaren onder Frans bewind behield het koninkrijk Holland nog een zekere mate van zelfstandigheid. Lodewijk Napoleon wilde een eigen koers varen ten opzichte van zijn broer. Napoleon wilde zoveel mogelijk soldaten voor zijn veldtochten, maar Lodewijk trachtte deze onstilbare honger naar kanonnenvoer te temperen. Holland was te arm om een groot leger op de been te brengen én de burgers moesten helemaal niets hebben van de dienstplicht, zoals die in Frankrijk bestond. Invoering van de conscriptie zou tot oproer leiden, vreesde Lodewijk.

Napoleon verloor na vier jaar het geduld met zijn eigenzinnige broertje en annexeerde het koninkrijk. Het Hollandse leger werd geïncorporeerd in de Grande Armée, maar de mannen werden niet verspreid over Franse eenheden. Napoleon koos ervoor de Hollanders in etnisch homogene regimenten bij elkaar te houden.

Slechte voetgangers

0112HGVMilitairenboek04

De Franse officieren die het bevel voerden over deze eenheden waren niet bijzonder onder de indruk van hun martiale kwaliteiten. Generaal Pouget noemde de soldaten ’slechte voetgangers’, omdat ze altijd achterbleven bij lange tochten. Maarschalk Oudinot meende dat ‘de Hollanders niet tegen de marsen noch de ontberingen kunnen die onlosmakelijk verbonden zijn met ons werk’. En maarschalk Victor omschreef de Hollanders in zijn legerkorps als ‘absolument nuls’.

Harde woorden, maar Van der Spek toont aan dat de Nederlandse soldaten op het slagveld ook hun mannetje stonden, of het nu ging om de guerrillaoorlog op het Iberisch schiereiland of de gevechten tijdens de Russische veldtocht van 1812.

Voor zijn onderzoek putte Van der Spek uit tientallen brieven, dagboeken en memoires van Nederlandse militairen. In alle bewaard gebleven brieven waren de geluiden over de keizer net zo positief als in het schrijven van Arnold Iddekinge. Dat wil niet zeggen dat echt niemand iets te mopperen had over Napoleon. Wellicht durfden de Nederlanders negatieve gedachten niet aan het papier toe te vertrouwen. Een dienstplichtig soldaat schreef bijvoorbeeld in 1812 vanuit Rusland aan zijn ouders dat de omstandigheden zo erbarmelijk waren dat hij ze maar beter onbenoemd liet, omdat hen anders de lust tot eten en drinken zou vergaan. Hij vervolgde: ‘Veel kan ik echter U niet schrijven, vooreerst worden de brieven geopend, en wanneer er wat veel in staat, dezelve aan stukken gescheurd en ook de persoon daar boven nog gestraft’.

Opvallend genoeg is er in memoires die werden geschreven nadat Napoleon in 1815 definitief afstand had moeten doen van de troon wél veel negatiefs te lezen over de Franse keizer. Generaal Dominique de Eerens bijvoorbeeld noteerde in zijn herinneringen over zijn eerste ontmoeting met Napoleon dat hij vond dat de keizer een ‘weinig majestueuze houding’ had. ‘Ik kan niet ontveinzen dat ik hier meer majesteit, meer grootheid verwacht had. (…) Ik herkende hier niet de overwinnaar der volkeren, de grote krijgsheld der eeuw, de wetgever, de overheerser – niets was majesteit in zijn persoon, in houding, noch in wegen.’

Kennelijk zorgde Napoleons verbanning naar een eiland in de Atlantische Oceaan bij sommige Nederlandse officieren voor een heel ander perspectief op de grote veroveraar. De meeste militairen die al die jaren zonder mopperen zijn zaak hadden gediend, op zoek naar eer en roem, verlieten de keizer na zijn val zonder er een traan om te laten.