Column

Getikt

marcelroosmalen0

Zo af en toe, op dagen dat er helemaal niets was waar ze zich over konden opwinden, stoorden mijn ouders zich aan de klok die al een eeuwigheid aan de schrootjeswand achter het televisiemeubel hangt. Tegenwoordig hoor je mijn moeder daar nooit meer over, dat is dan een van de voordelen van haar doofheid.

Maar vroeger…

Mijn vader kwam dan omhoog uit zijn stoel en zei: „Wat tikt-ie toch… Het lijkt wel of hij harder tikt dan normaal.”

En dan mijn moeder. „Niet zeggen! Niet zeggen!”, maar dan was het al te laat.

„Nou heb ik het ook, ik hoor alleen nog maar die klok. Ik word er knettergek van.”

Normale mensen trekken zo’n klok op een gegeven moment van de muur. Mijn ouders niet.

Ik heb daar een tik aan overgehouden, als ik daar weer ben, hoor ik soms alleen die klok.

Gisteren zat ik met de computer op schoot in de stiltecoupé. Dat was dan fijn aan deze tijd; je hoefde niet zoals vroeger te wachten tot je ergens was om actief te worden. Ik moest een heel stuk tikken en tikte de ene zin na de andere. Het ging, excuus voor de woordgrap, eigenlijk als een trein. Net toen ik dacht dat ik misschien vaker met mijn laptop in zomaar een trein moest stappen, meldde zich een medereiziger. Hij probeerde zich te beheersen, maar aan alles was te zien dat hem dat grote moeite kostte.

„Dat getik! Ik heb al sinds Amersfoort last! U haalt me totaal uit mijn concentratie! Dit is een stiltecoupé!”

Het woord stiltecoupé herhaalde hij voor de zekerheid.

Het overviel me.

Er zaten nog wel woorden in mijn hoofd, maar ze kwamen er nog maar langzaam uit. Het ging echt van tik-tik-tik, heel zacht met nog maar één vinger. Ik kon zijn hoofd niet zien, maar stelde me er alles bij voor. Samen geknepen ogen waarschijnlijk, helemaal gefocust op het geluid dat hem stoorde en dat hij over alles heen hoorde. Ik klapte de computer maar dicht, met een plofje zodat hij kon horen dat ik zijn klacht serieus nam. Ik had niets meer te doen en probeerde goed te luisteren of hij ook geluiden maakte waar ik me op mijn beurt aan kon gaan ergeren.

Bij het uitstappen passeerde ik hem. Hij keek op van zijn telefoon.

„Fijn dat u ophield met dat vreselijke getik”, zei hij. „Ik verdraag het niet, maar u kunt zich daar waarschijnlijk niets bij voorstellen.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz