Dwarse componist met zwak voor de underdog

Zaterdag krijgt componist Martijn Padding de Johan Wagenaarprijs. Bij hem geen grote romantische gebaren, maar ambiguïteit en listigheid. „Mijn houding is: heb ik hier iets aan? Is dit geinig?”

Componist Martijn Padding Foto Roger Cremers

Martijn Padding houdt van componisten die al in de eerste maat een stok tussen de spaken steken. Een tegenstem, een rare wending. Saboteurs als Vivaldi, Haydn, Beethoven – Padding noemt ze „waanzinnige componisten die voortdurend onder tafel schroefjes zitten los te draaien.”

Zaterdag, tijdens het festival Dag in de Branding, krijgt Padding (1956) de prestigieuze Johan Wagenaarprijs voor zijn hele oeuvre uitgereikt.

Padding wil zijn luisteraars vermaken én op het verkeerde been zetten; bij hem geen grote romantische gebaren, maar ambiguïteit en listigheid, een vleug theater, en een toegankelijke, aantrekkelijke buitenkant.

Bij de uitreiking worden drie van zijn concerti uitgevoerd: voor viool, basfluit en piano, die laatste (Unequal parts) in een grondig herziene versie.

Noem het een karaktertrek. Als alle de neuzen dezelfde kant op wijzen verliest Padding zijn interesse: „Er moet altijd iemand zijn die ‘nee’ zegt. Ik zoek dialoog, ik heb het nodig om te kaatsen en te kijken wat er terugkomt.”

Solist versus orkest

De dialectische muzikale vorm bij uitstek is die van het concerto, waarin een solist tegenover een orkest staat, een opstelling die onmiddellijk voor spanning zorgt. Padding heeft inmiddels een hele trits concerti op zijn naam staan, waarbij de keuze voor het solo-instrument vaak nogal onorthodox is – zo componeerde hij voor de mandoline en maakte hij het allereerste Harmoniumconcert ter wereld.

Padding heeft een zwak voor underdogs. Een concertvleugel kan wel op tegen het orkestgeweld, maar wat nou als de solist opkomt met een triangel? Dat lijkt bij voorbaat een verloren missie. De underdog is niet alleen onweerstaanbaar aandoenlijk, voor Padding bezit hij ook tragiek, omdat hij eigenlijk niet tegen zijn taak is opgewassen. Tijdens de uitvoering van zijn Harmoniumconcert in Carnegie Hall lazerde er halverwege de solocadens een zwaar hoekdeel van het instrument: „Dat is natuurlijk schitterend. Je kunt het niet zo componeren, maar dat is precies wat ik wil.”

Volgens de jury van de Johan Wagenaarprijs heeft Padding ‘een onmiskenbaar Nederlands geluid’, en de componist is het daarmee eens. „Ik componeer vanuit een idee van wat Nederlandse cultuur is,” zegt hij. Paddings muziek heeft een ‘calvinistische’ rechtlijnigheid die je ook al ziet bij Sweelinck: geen zijpaden, wars van tierelantijnen. En ze is nadrukkelijk inclusief, wat Padding relateert aan de Nederlandse handelsgeest. Zijn invloeden reiken van Beethoven en Bartók tot pop en Balinese gamelan. „Plat gezegd is mijn houding: heb ik hier iets aan? Is dit geinig?”

Die diversiteit hoor je terug. Padding probeert in ieder stuk iets anders, dus klinkt ieder stuk ook anders. Toch is er een Padding-constante: de tegendraadsheid, een speelse inborst, gevoel voor humor. Dat zijn stukken aan de oppervlakte losjes klinken wijt hij aan zijn weerzin jegens schoolmeesterachtige nadrukkelijkheid. Onder de oppervlakte zijn zijn partituren niettemin volmaakt helder en exact vormgegeven en genoteerd. Het componeren van die ‘gestileerde gammeligheid’ is veel werk.

Zijn oeuvre is nu dan bekroond, maar nog lang niet af. Padding heeft plannen te over, zoals een dubbelconcert voor twee piccolo’s, en een concert voor klavechord – Bachs lievelingsinstrument, en ‘bijzonder ongeschikt’ als solo-instrument. „Veel verder kun je niet gaan, qua underdog.”

3/12 Dag in de Branding, Den Haag. Inl.: dagindebranding.nl