Recensie

Deze kunst heeft zelden of nooit het museum gehaald

expositie

Voor het kunsthistorisch museum in Wenen stelde kunstenaar en schrijver Edmund de Waal een magnifieke tentoonstelling samen over angst. Met kunststukken die veelal in opslag lagen.

Versteende haarballen uit lijf van geit. Links bewerkt met goud, rechts met goud en email – ca 1600. Foto’s Kunsthistorisches Museum Wien

Op een nacht had Albrecht Dürer, de Duitse renaissancekunstenaar, een nachtmerrie over een zondvloed. Hij werd er wakker van en schreef hem van zich af. Daar maakte hij een waterverfschilderijtje bij. Klein, blauw en waterig. Bijna niemand heeft het ooit gezien. Dürer leefde van 1471 tot 1528.

500 jaar later, of daaromtrent, kwam porseleinkunstenaar Edmund de Waal het schilderijtje tegen in de catacomben van het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Het zat in Dürers Kunstboek. Het museum had De Waal gevraagd een tentoonstelling te maken van werken uit de museumcollectie, waarvan de meeste zelden of nooit uit de opslag komen. Hij was vrij om zijn eigen thema te kiezen. De Waal had aanvankelijk geen idee. Maar toen hij dat waterverfje zag, was hij meteen getroffen: „Ik zag het eind van de wereld.” Na al die eeuwen straalde de angst nog van het papier af, vond hij. Zo vond hij het thema voor zijn tentoonstelling: voorwerpen als dragers van angst. Angst is de extreme emotie. „Ik wilde dingen vinden met dezelfde resonantie. Die de eenzaamheid in zich droegen van Dürer tijdens die afschuwelijke nacht.”

Nu pas, drie jaar later, ziet de bezoeker het resultaat: During the Night. Het is adembenemend geworden. Je stapt één zaal binnen, praktisch verduisterd. Daar staan, in fragiele glazen vitrines met alleen een spotje erop, voorwerpen die een diepe, aardse kracht lijken te bezitten. Maskers. Relikwieën van koraal die middeleeuwers aanzagen voor haren van Medusa. Een boos oog uit Constantinopel, uit de derde eeuw. Een enorme galbal die men ooit in de buik van een geit vond en die later in een verfijnd tuigje van goud is gevat. Wat de curiosa en rariteiten en een enkel schilderij gemeen hebben, is dat de oerkracht wordt ingetoomd en tegelijkertijd versterkt door de geciviliseerde omgeving. Het is nature versus nurture, waarbij allerminst zeker is dat de beschaving de bovenhand heeft. De houten ‘hoorn’ wordt pas echt bedreigend door het bronzen mondstuk. Een fijnbewerkt zilveren voetje maakt de brok steen uit Bohemen des te angstaanjagender. Het is mooi en levensgevaarlijk tegelijk.

Je betrapt jezelf op de gedachte dat de moderne Europeaan in geen tijden zo angstig is geweest. Net toen we dachten dat alles in Europa aan kant was, jagen jihadi’s en Russische oorlogsdreiging ons hoog in de gordijnen. Komt de oermens weer boven? Die reflectie roept De Waal bewust op. Hij uit zich in interviews bezorgd over de afbraak van de Europese gedachte en de wederopstanding van het nationalisme. Maar het blijkt ook uit de twee voorwerpen die hij zelf meebracht naar Wenen. Het ene is een uitstalkast met bekertjes, waar hij bekend om is – maar inktgrijs ditmaal, met metaal en scherven. Hij noemt het „een meditatie van schaduw”. Het andere voorwerp is de netsuke, de kostbare Japanse miniatuur waar zijn beroemde boek The Hare with the Amber Eyes om draait. De Waals hele tragische familiegeschiedenis – om niet te zeggen de Europese geschiedenis van de laatste eeuw – zit vervat in die netsuke. Veel van zijn familieleden hebben de oorlog niet overleefd. Ze zijn weggehaald uit het Ephrussi-familiehuis, niet ver van het museum, in Wenen. Hun kunstcollectie werd geconfisqueerd en onder toezicht van de toenmalige museumdirecteur ‘geariseerd’.

De netsuke, die nooit eerder werd tentoongesteld, staat niet in de donkere zaal maar erbuiten. Net voor de deur, in daglicht, in zijn eigen vitrine. De Waal heeft het beladen willen maken, maar ook niet té. „Die zit daar goed, buiten. Met hem voor de deur voel ik me veilig.”