Bachs ‘Hohe Messe’ moet je niet zingen met solisten

Dirigent Ton Koopman houdt de jaarlijkse Huizingalezing over de zangers van Bach.

Ton Koopman zit in de cafetaria van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Het is vroeg in de ochtend, begin november, en al gauw blijkt dat het niet de beste setting is voor een interview. Niet vanwege de lucht van de vette kaasbroodjes onder de warmhoudlamp, maar omdat iedereen hem hier kent. Telkens wordt de dirigent, organist en klavecinist aangeklampt voor een praatje. Geduldig staat hij iedereen te woord; voorbijgangers krijgen een vriendelijk knikje.

Koopman (72) mag dan een grootheid zijn binnen de wereld van de oude muziek, hij is ook een benaderbaar musicus, altijd bereid om zijn kennis en kunde te delen. Dat doet hij nu met studenten van Koninklijk Conservatorium én de New Yorkse Juilliard School of Music. Met de jonge koorzangers (allen ‘Haags’), solisten en orkestleden (gemengd) voert hij Johann Sebastian Bachs Hohe Messe uit op het Boston Early Music Festival, in New York en Nederland.

Er is nog een reden om de barokspecialist te spreken. Op 9 december houdt Koopman de jaarlijkse Huizingalezing in de Pieterskerk in Leiden. Onderwerp: de zangers van Bach. Na afloop van de lezing voert hij dan wederom de Hohe Messe uit. „De lezing stond al langer gepland, en daar konden we het conservatoriumproject mooi aan koppelen”, zegt Koopman.

Bachs zangers, wat valt daar nog over te vertellen? Heeft hij ‘nieuws’? Dat niet echt: Koopman wil vooral wat rechtzetten. In de jaren tachtig kwam er een stroming op binnen de oudemuziekbeweging die meende dat Bachs vocale werken het best tot hun recht komen als iedere partij door één stem wordt gezongen. De weinige aanwezige koorpartijen werden door musici als Joshua Rifkin („de kwade genius”, dixit Koopman) als bewijs aangedragen.

Wel degelijk sprake van een koor

„Volgens mij was het allemaal ingegeven door de platenindustrie: het was een leuk verhaal”, zegt Koopman. „Maar zo’n enkelvoudige bezetting kan alleen werken op een opname, dan kan je de ene microfoon wat harder zetten dan de andere. Je loopt in de akoestiek van een kerk direct tegen balansproblemen aan. Een enkele viool legt het in volume nu eenmaal af tegen een trompet.”

Koopman heeft zich er altijd tegen verzet. „We weten uit verschillende bronnen dat Bach meerdere zangers per partij wenste. Aan de Thomasschule in Leipzig studeerden zo’n honderd jongens, waarom zou Bach zich dan tot één stem per partij hebben beperkt? Er was wel degelijk sprake van een koor, dat bestond uit jongens, jonge mannen. En dat waren heus geen Pavarotti’s.”

Dan fel: „De collega’s die beweren dat het de helderheid ten goede zou komen als je solistisch bezet zingt, tsja… In zo’n doorwrocht stuk als de Hohe Messe, waarin zoveel gebeurt, hoor je er in sommige passages ook met solostemmen nauwelijks wat van.”

De kerk schreef voor dat vrouwen niet in de kerk mochten zingen. Toch gebeurde het soms. „Dan werd er een oogje toegeknepen. Bachs beroemde collega Telemann had een favoriete zangeres die werd gedoogd. Ik sluit niet uit dat Bachs vrouw Anna Magdalena soms ook stiekem heeft meegedaan, ze moet een mooie stem hebben gehad. Trouwens, ik sluit ook niet uit dat Bach zelf heeft meegezongen als bas.”

Vanochtend moet Koopman het, net als Bach, met studenten doen. Mannen én vrouwen, dat wel. Voorafgaand aan de repetitie zegt hij dat hij weinig spreekt tijdens zulke sessies („er is toch al zo weinig tijd”), maar daar is op het podium van de Arnold Schönbergzaal niets van te merken. Nadat hij het koor eerst vermanend heeft toegesproken dat het niet goed heeft ingezongen (als de repetitie is begonnen, moet het alleen nog maar om de muziek gaan, vindt Koopman), legt hij de boel regelmatig stil om aanwijzingen te geven. Hij spaart de zangers niet: hij spreekt niet in eufemismen als de tenoren in het ‘Gratias agimus tibi’ te laag inzetten. Koopman is direct, en toch aardig. De zangers schrikken niet van de reprimande. Iedereen heeft er zin in.

Koopman werkt graag met jonge mensen, zegt hij. Tegenwoordig is hij ook hoogleraar oude muziek aan de Universiteit Leiden. „Voor mij is er geen verschil tussen werken met een conservatoriumensemble en doorgewinterde professionals. Ik pas het niveau niet aan. De muziek roept dezelfde vragen op, ongeacht wie je voor je hebt. ”