Recensie

Apostel Petrus heeft geen stap in Rome gezet

Fik Meijer

Na de levens van Jezus en Paulus onder de loep te hebben genomen, pakt historicus Fik Meijer nu het leven van Petrus op. Opnieuw een leven waar alleen bijbelse teksten over bekend zijn.

Caravaggio: De kruisiging van Petrus, ca. 1600

De oudhistoricus Fik Meijer heeft de afgelopen jaren een naam opgebouwd als auteur van boeken over de Oudheid die uitblinken in toegankelijkheid en kennis van zaken. Zijn boeken trekken dan ook een breed publiek. Na de levens van Paulus en Jezus heeft hij nu dat van Petrus onder handen genomen.

Deze vroege volgeling en leerling van Jezus is geen erg dankbaar onderwerp voor een biograaf. Er is bar weinig over hem bekend en wat we zeker menen te weten ontlenen we aan de Jezus-biografieën van Marcus, Lucas, Mattheüs en Johannes, ook bekend als de synoptische evangeliën, en aan de traditioneel aan Lucas toegeschreven ‘Handelingen van de Apostelen’, teksten die alle uiteindelijk in de Bijbel terecht zijn gekomen. Daarmee heeft de biograaf meteen een probleem, want hoe betrouwbaar zijn de bijbelse teksten eigenlijk als bron voor een historicus?

Meijer (1942) stipt het vraagstuk slechts zijdelings aan, hij wil er duidelijk zijn vingers niet aan branden. Als de wonderen hem een enkele keer te gortig worden, refereert hij aan volksverhalen en legenden, teksten waarin de neiging tot overdrijven ingebakken zit, maar een kijk op het Nieuwe Testament als historische bron kun je dit niet noemen. Dat hij deze netelige kwestie uit de weg gaat is begrijpelijk, de literatuur over dit onderwerp is enorm en de standpunten zijn niet zelden tegenstrijdig, maar een gemis is het wel.

In Meijers ogen blijkt Petrus een impulsieve visser te zijn geweest die, zoals men ook in de Bijbel kan lezen, met vallen en opstaan de meest geliefde leerling van Jezus werd. Als Petrus-biograaf rangschikt de auteur het materiaal zodanig dat er een geslaagd beeld van de persoon van de latere apostel ontstaat, in acht nemend dat zijn visie op de man, gezien de aard van de bronnen, toch altijd wel een hypothese zal blijven.

Op de helft van het boek is Meijer klaar met Petrus’ leven. Het weinige dat er over hem bekend is heeft hij tot op de laatste druppel uitgewrongen. Wanneer Petrus in de mist der tijden is opgelost begint zijn Nachleben, dat een aantrekkelijker onderwerp voor de historicus blijkt te zijn dan zijn leven.

Ongeveer een eeuw na zijn vermoedelijke dood blijkt Petrus een nieuw bestaan te hebben gekregen, hem aangemeten door de ideologen van de kerk. Om allerlei religieus-politieke redenen wordt hij voorzichtig opgetuigd als een gelijkwaardige pendant van Paulus, die hij hoogstens drie keer in zijn leven heeft ontmoet, om uiteindelijk eerst omzichtig, maar vervolgens met volle overtuiging te worden gebombardeerd tot bisschop van Rome. Nog steeds noemt de kerk de bisschop van Rome en dus de paus ‘opvolger van Petrus’. Of dat wel in overeenstemming met de feiten is, heeft men zich zeker in de eerste eeuwen niet afgevraagd.

Uitzoeken wat in deze kwestie waarheid is of verdichtsel is een kolfje naar Meijers hand, de hele tweede helft van het boek wordt gewijd aan de vraag of Petrus eigenlijk ooit in Rome is geweest. Al sinds de Middeleeuwen gingen er stemmen op die beweerden dat dat nooit het geval kon zijn.

Deze opvatting werd natuurlijk door de kerk van de hand gewezen, maar de twijfel bleek hardnekkig. In de moderne tijd laaide de discussie weer op en werd de kerk in het defensief gedreven, waar ze zich bij gebrek aan nieuwe, overtuigender bewijzen nog steeds bevindt.

Wanneer Meijer aan het eind van zijn zoektocht bij de ware Petrus is gekomen, bezoekt hij nog een keer de Sint Pieter. ‘Mijn scepsis over alles wat de kerk heeft aangevoerd om de komst van Petrus naar Rome te bewijzen’, schrijft hij, ‘maakt plaats voor cynische bewondering. Want het is zeker een prestatie van formaat om op basis van controversiële argumenten Petrus zo om te vormen, dat de paus van Rome zich toch op de dag van vandaag op hem kan beroepen en tallozen hem aanbidden op plaatsen waar hij, naar mijn overtuiging, nooit een stap heeft gezet.’

Achterin zijn boek geeft Meijer in een uitgebreid aanhangsel een aantal teksten over het leven van Petrus en wat erop volgde. Over het gewicht van deze ‘bronnen’ laat de auteur zich niet uit, wat bij de lezer verwarring kan stichten over hoe ze gewaardeerd moeten worden. In de tekst wordt er niet naar verwezen en een register ontbreekt. Verder is Meijers kijk op de positie van de christenheid in de Oudheid soms wel wat bleekjes en traditioneel. Hoe dan ook, moderne, toegankelijke biografieën van Petrus zijn dun gezaaid, alleen al daarom is dit boek de moeite waard.

    • Allard Schröder