Column

De schrijver als onheilsprofeet of linkse Gutmensch

michielkrielaars0

Donald Trump, Vladimir Poetin, Geert Wilders, Marine Le Pen, Viktor Orbán, Frauke Petry en Norbert Höfer. Ze zijn allemaal boos op de wereld zoals die is. Terecht of onterecht, daar wil ik hier vanaf zijn, want voor je het weet, word je in de sociale media voor rechtse onheilsprofeet of voor ‘linkse Gutmensch’ uitgemaakt.

De tirades van bovengenoemde politici doen me vaak denken aan sommige Engelse, Franse en Duitse romans uit het Interbellum. In die roerige jaren tussen 1918 en 1939 was woede net als nu de leidende norm. Velen, uit zowel het uiterst-rechtse als het uiterst-linkse kamp, gaven toen ook de elite de schuld van de ellende van de gewone man. En die elite moest boeten.

Dichteres Hanny Michaelis beschrijft die woede in haar onlangs gepubliceerde oorlogsdagboek heel treffend als ze het over haar leraar Grieks heeft. Tegen zijn leerlingen had die geborneerde kleinburger het er voortdurend over dat iedereen van een beetje deftige komaf nog zo dom kon zijn, maar altijd wel een mooie baan kreeg.

Louis-Ferdinand Céline gaf in de jaren dertig in zijn meesterlijke romans zo ongeveer iedereen ervan langs die het beter had dan hij, zo boos was hij uit de Eerste Wereldoorlog gekomen. En vergeet Ernst von Salomon niet, de rechtse Duitse schrijver die minister van Buitenlandse Zaken Rathenau vermoordde, of de Franse fascisten Pierre Drieu La Rochelle en Robert Brasillach, stuk voor stuk voortreffelijke vertolkers van de rechtse tijdgeest.

Ook aan de kant van de linkse Gutmenschen van toen valt er veel te genieten. Lees Heinrich en Klaus Mann, Alfred Döblin, Lion Feuchtwanger, Kurt Tucholsky, Bertolt Brecht, Elias Canetti of Joseph Roth. Niemand zag in de jaren twintig zo goed in welke richting de oprukkende hordes trokken als die laatste schrijver, die zich als zelfopgelegde voorzorgsmaatregel dood zoop.

In de Nederlandse letteren van het Interbellum werd er weliswaar van links tot rechts gepolitiseerd geschreven, maar meer in de vorm van essays en poëzie dan in goede romans. In dat opzicht is er dus niet veel veranderd. Het afgelopen jaar ben ik, op Christiaan Weijts’ Het valse seizoen en Pieter Waterdrinkers Poubelle na, geen Nederlandse politieke roman tegengekomen. De literatuur van 2016 gaat in ons land vooral over moeizame liefdes en familieperikelen, al dan niet op het platteland.

Voor het einde van dit jaar hoop ik dan ook nog een goede Nederlandse roman à la Michel Houellebecqs Sousmission of Philip Roths The plot against America te lezen. De boze man of vrouw is tenslotte voor elke schrijver een ideaal personage. Bij gebrek aan inspiratie mag de schrijver van dat boek van mij gerust Roths beginzin plagiëren: ‘Fear presides over these memories, a perpetual fear.’