Kweekvlees, insecten, zeewier - wat ligt er over vijf jaar op ons bord?

De groeiende wereldbevolking moet op zoek naar alternatieve voedselbronnen. NRC-redacteur Carlijn Vis bespreekt vier toekomstbestendige voedselsoorten.

1. Insecten

Knapperige sprinkhanen in je curry? Over een paar jaar is dat heel normaal.

Knapperige sprinkhanen in je curry? Over een paar jaar is dat heel normaal. Foto Lieke Janssen / NRC

Wereldwijd staan bij 2 miljard mensen insecten op het menu. Alleen in Europa en de Verenigde Staten vinden we het ‘raar’. Dat gaat veranderen, zegt professor Marcel Dicke, van de Wageningen Universiteit. In 2020 eten we sprinkhanen en meelwormen net zo makkelijk als kip en gamba’s. Op toast, in de curry, of verwerkt in een burger.

Dat moet ook wel, want het plafond aan de productiecapaciteit van kip, rund- en varkensvlees komt snel dichtbij. Insecten zijn een uitstekende en logische alternatieve eiwitbron. Als je garnalen eet, is de overstap naar een sprinkhaan niet zo gek. Dicke: „Veel verschillen zijn er niet, sprinkhanen zijn in feite de garnalen van het land.”

Hoe is het er nu mee?
Er zijn al bedrijven in Nederland die insecten produceren, verwerkt in burgers en bitterballen of los, om in z’n geheel te eten. Met een dipsausje misschien. De online winkels van Jumbo en Albert Heijn, delicatessenzaken en gespecialiseerde webshops verkopen ze.

Het is leuk dat het verkrijgbaar is, zegt Dicke, maar veel mensen denken: „Wat moet ik ermee doen?” Daarom maakte de Wageningen Universiteit een insectenkookboek met recepten van voorafjes tot desserts: chocoladetaart met sprinkhanen, pannenkoeken met meelwormen, ‘buglava’. „Om de Nederlander op weg te helpen.”

Maar wanneer vinden we het normaal om een curry met sprinkhanen te eten?
Insecten bevatten veel eiwitten, vitaminen en mineralen. De voedingswaarde van bijvoorbeeld meelwormen is vergelijkbaar met rundvlees. Dat moeten consumenten weten, zegt Dicke. Net als dat insectenvlees veel minder landbouwgrond en veevoeder vergt.

Maar vooral de perceptie moet nog veranderen. Denk: insecten zijn smakelijk en voedzaam in plaats van stekelig, eng en harig. Consumenten laten proeven zal helpen: een meelwormenmuffin in de supermarkt, een krokante sprinkhaan op een toastje met tapenade in een drukke winkelstraat. Het wereldberoemde restaurant Noma in Kopenhagen heeft insecten al op de kaart staan. Nu de rest nog.

2. Kweekvlees

Aan de kweekvleesburger wordt nog flink gesleuteld.

Aan de kweekvleesburger wordt nog flink gesleuteld. Foto Lieke Janssen / NRC

In 2013 werd hij ronkend gepresenteerd: de kweekvleesburger. Veertig miljard cellen die net vlees leken, maar nog niet zo smaakten. Vet ontbrak, de burger moest sappiger. En goedkoper, want nu had het de Nederlandse wetenschapper Mark Post zo’n 250.000 euro gekost om dit stukje vlees in een laboratorium in Maastricht te kweken. „Natuurlijk moeten de kosten omlaag, maar daar ging het toen niet om”, zegt Post. Hij wilde een ‘proof of concept’: bewijs dat het kan, een burger van gekweekte stamcellen van een koe.

Hoe is het er nu mee?
Post en de Universiteit van Maastricht sleutelen nog steeds aan de burger. „We willen cellen meer myoglobine (een zuurstofbindend eiwit) laten maken, want dan kleurt de cel rood. En dus het vlees.” Mooi meegenomen: in het stofje zit ijzer, een belangrijke voedingsstof van vlees.

Niet onbelangrijk is dat ze nog zoeken naar een geschikte stof om de burger te binden. Nu gebruiken ze collageen, uit runderen. Dierlijk materiaal dus terwijl de burger daar zo min mogelijk van zou moeten bevatten. Alginaat, uit algen, zou het collageen moeten vervangen. Verder moeten de kosten omlaag, natuurlijk.

Maar Post is in het lab met zijn petrischaaltjes en zijn pipetten nu als eerste in de weer met de vettigheid. Om de burger sappiger te krijgen wil hij vetweefsel van koeien kweken.

Meer iets voor restaurants en speciaalzaken, dan voor de Lidl. De supermarkt volgt later.

Wanneer ligt het in de winkel?
Over vier jaar wil Post het productieplan van de fabriek af hebben. Dan moeten alle materialen en ingrediënten er dus zijn. En een precieze beschrijving van hoe de burger in grote hoeveelheden van de productieband rolt. Dan is nog goedkeuring van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nodig. Als de eerste hamburger over vijf jaar op de markt komt, zal die 10 of 11 euro kosten. „Meer iets voor restaurants en speciaalzaken, dan voor de Lidl. De supermarkt volgt later.” Dat die volgt, is volgens Post zeker. Over vijf tot tien jaar hangt de keuze voor een kweekvleesburger of rundvleesburger niet meer af van de prijs. Smaak zal bepalen welke burger op de kassaband belandt.

3. Zeewier

Indonesië zet in op zeewier, in de toekomst een belangrijke eiwitbron.

Indonesië zet in op zeewier, in de toekomst een belangrijke eiwitbron. Foto Lieke Janssen / NRC

Hippe foodbloggers en health freaks zijn al fan: zeewier is gezond en kan duurzaam worden verbouwd. Recepten met zeewierpasta en zeewierburgers zijn online te vinden. Eerst een aperitief? Neem een glaasje jenever gebrouwen van zeewier.

Hoe is het er nu mee?
Er wordt volop geëxperimenteerd met het verbouwen van zeewier op grote schaal. Indonesië wil domineren in de export ervan, daar liggen voor de kust al velden met ‘het groene goud’. „Maar zij doen alles met de hand, grootschalige mechanische zeewierproductie is er nog niet”, zegt Ernst van den Ende, directeur Plant aan de Wageningen Universiteit. Sinds vijf jaar onderzoekt zijn team de vraag: Wat kun je doen om zeewier op commerciële basis te telen in water? De onderzoekers maakten een zeeboerderij, op het water bij Zeeland. Een andere gedachte die wordt verkend: zeewier kweken aan de voet van windmolenparken. Die molens zijn stevig verankerd en op die plekken in zee varen geen schepen. Touwen bevestigen en zeewier kweken op vlotten is een idee.

Wat moet er nog gebeuren?
Adrie van der Werf, een van de onderzoekers: „We moeten aantonen dat zeewier op grote schaal is te telen en dat de teelt duurzaam is. De productie mag niet ten koste gaan van ecosystemen in zee. En het moet financieel interessant zijn, anders begint er geen boer aan.” De hele keten moet meedoen. Er moeten geschikte spullen zijn, zoals speciale oogstmachines voor zeewier – daar zijn er nu net een paar van in ontwikkeling. En bedrijven die zeewier verwerken in voedsel of cosmetica. „Op dit moment zijn de productiekosten nog te hoog om het rendabel te maken, maar daar wordt hard aan gewerkt.”

Dus hoe lang duurt het nog?
Naast de technische vragen is ‘consumentenacceptatie’ een obstakel, zoals Van der Werf dat noemt. „In Azië is zeewier eten gewoon. In Europa eten we sushi, maar dat is het. Er is hier al zeewierspaghetti te koop en een zeewierburger, maar mensen moeten wennen aan de smaak.” Nu de foodblogger het omarmt, gloort er hoop.

4. Lang houdbare tomaten

Kou tast de smaak van de tomaat aan. Veredelingsbedrijven proberen de smaak beter te maken.

Kou tast de smaak van de tomaat aan. Veredelingsbedrijven proberen de smaak beter te maken. Foto Lieke Janssen / NRC

Volle kleuren, knapperig wanneer je erin bijt, lang houdbaar. We wensen nogal wat van onze groenten. Vroeger kocht je tomaten nog groen, na een week waren ze pas rood. Na twintig jaar tomatenrassen kruisen, zijn tomaten langer houdbaar, maar smaken ze minder. Waar gaat het heen met de tomaat?

Hoe is het er nu mee?
„Groene tomaten in het schap wil de consument niet”, zegt Ernst Woltering van de Wageningen Universiteit. We zijn een eind op weg, maar de perfecte tomaat – lang houdbaar, stevig en helderrood met een volle smaak – is er nog niet. Een van de grootste uitdagingen is de kou. Een tomaat kan daar niet tegen, door kou gaat veel smaak verloren. Dus worden tomaten nu niet zo koud vervoerd – bij zo’n 12 graden. Transport bij 5 graden, zonder aantasting van de smaak, zou ideaal zijn. Dan zijn ze nog langer houdbaar.

Voor een onderzoeker in het lab is het relatief makkelijk om dit te bereiken door aan de genen van de tomaat te sleutelen. „Met genetische modificatie kunnen we veel, maar ook dat vindt de consument niet leuk”, zegt Woltering. Er moeten dus natuurlijke mutanten worden gemaakt en dat werk ligt vooral bij veredelingsbedrijven. Die kruisen rassen, tot ze een ras hebben dat bijvoorbeeld roder is. Die vermeerderen ze weer, op zoek naar een plant die beter tegen kou kan of minder snel beurs wordt.

Wanneer liggen die verbeterde tomaten in de winkel?
Veredeling is een trage business, het duurt jaren voor er een nieuw ras is gemaakt. Woltering: „Het is lange-adem-werk. Vijf jaar zou mooi zijn, maar het kan ook nog tien jaar duren.”