Column

De gang

ellendeckwitz0

Omdat ik regelmatig literatuurlessen op verschillende middelbare scholen verzorg, ervaar ik het verstrijken van de tijd scherper dan mijn zus, die als psycholoog alleen twintigers met hun eerste burnout behandelt. Niet alleen omdat ik doceer aan jongeren van wie ik inmiddels tienermoeder had kunnen zijn, maar ook om de verschillen met vroeger.

Zestien jaar geleden, nog nadampend van het eindexamen, stond ik voor het eerst voor de klas, om te vertellen waarom poëzie gaaf is. Orde houden is voor mij nooit een probleem geweest (dat krijg je ervan als de ene helft van je familie in het onderwijs zit en de andere helft in het leger) maar ik was toch verbaasd over de beperkte attentiespanne van mijn toehoorders. Je wilde bovendien niet doorgaan tot na de bel, maar ook niet te vroeg klaar zijn, want als de club tegenover je doorkreeg dat je door je lesstof heenzat, begon de onrust.

Heen en weer geschuifel met stoelpoten, omdraaien naar de achterste rijen, uitmondend in geschreeuw, gegooi met etuis, tot je uiteindelijk maar toegaf dat zij hadden gewonnen en ze ruim voor de bel de gang opstuurde. Tegen de schuimbekkende conciërge die anderhalve minuut later (want op de gang was het Einde Der Tijden aangebroken) je lokaal binnenstoof, deed ik maar alsof ik niet wist dat ik ze tot de bel binnen moest houden.

In de loop der jaren heb ik geleerd om in mijn lessen een fatsoenlijke spanningsboog aan te brengen, maar laatst was ik onverhoopt eerder klaar. Oh shit, dacht ik. Nog zeker een kwartier. Dit komt nooit meer goed. De leerlingen keken me verwachtingsvol aan.

„Nou,” zei ik, en nam alvast een paracetamol in, „we zijn al klaar. Ik kan jullie helaas niet voor de bel het lokaal uitlaten, doe maar even iets voor jezelf.” Ik zette me schrap tegen het protest dat vroeger zou volgen, de hele tirades waarom ze niet naar buiten mochten, dat ze heus wel stil op de gang konden zijn, maar in tegenstelling tot de jeremiades waar je pakweg vijftien jaar geleden in het onderwijs mee te maken kreeg, knikten de leerlingen slechts. Beheerst pakten ze hun smartphone erbij. Al klikkend, soms zacht giechelend, vermaakten ze zich.

Ik besefte dat het internet de gang heeft vervangen, wat vervreemdend maar ook overzichtelijk is: de leerlingen zijn er weliswaar nog steeds niet echt bij met hun hoofd, maar wel met hun lichaam. En zo zat ik tegenover een groep die zo relaxed hun eigen ding deed, dat ze wel gedrogeerd leken. Zelfs toen de bel ging, stonden ze niet op.

„Moeten jullie niet weg?” probeerde ik.

„Nee”, zei een meisje zonder haar blik van haar beeldscherm te halen, „we zijn nu vrij.”

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Naschrift (14 december 2016) In bovenstaande column is een kleine fout gecorrigeerd [red.]