Unieke verzameling te zien in Parijs

Een significant deel van de collectie van de Russische verzamelaar Sjtsjoekin, met werken van Picasso en Cézanne, is te zien in Parijs.

Detail uit Christian Cornelius Xan Krohn: portret van Sergej Sitsjoekin, 1916 Werk afkomsting uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en de Tretjakovgalerij in Moskou

Het is een van de beroemdste kunstcollecties van Rusland. Maar niemand heeft de door industrieel Sergej Ivanovitsj Sjtsjoekin aan het begin van de twintigste eeuw verzamelde 274 doeken van meesters als Matisse, Gauguin, Cézanne en Picasso sinds 1948 bij elkaar gezien. „De Sjtsjoekin-collectie is deel van het collectieve bewustzijn van Russische kunstkenners”, zegt de Franse conservator Anne Baldassari en is „legendarisch geworden”.

Het verklaart mede de enorme drukte sinds eind oktober bij de Fondation Louis Vuitton in het Bois de Boulogne. Lange rijen bezoekers, onder wie veel Russen, wachten dagelijks met gemak enkele uren voor de kunsttempel van het Franse luxebedrijf LVMH, een ontwerp van Frank Gehry, om de unieke collectie, of althans een aanzienlijk deel daarvan, weer verenigd te zien. 127 doeken en sculpturen van vooral de Hermitage in Sint-Petersburg en het Poesjkinmuseum in Moskou zijn naar Parijs gekomen als „eerbetoon aan het werk van Sjtsjoekin”, zegt André-Marc Delocque-Fourcaud, de Franse kleinzoon van de Russische verzamelaar die meehielp de expositie te organiseren.

Werk afkomsting uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en de Tretjakovgalerij in Moskou

Vladimir Tatlin, 1913. Werk afkomsting uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en de Tretjakovgalerij in Moskou
 

Niet alleen de indrukwekkende overdaad en de voor die tijd spectaculaire keuzes die Sjtsjoekin maakte, spreken tot de verbeelding. Dat geldt evengoed voor de pijnlijke geschiedenis van de collectie, die na de bolsjewistische revolutie in 1917 werd genationaliseerd en later door Stalin opgesplitst. Uit vrees voor claims van nabestaanden waren de Russische musea lang huiverig om de stukken uit te lenen. In 2000 eiste Delocque-Fourcaud nog de inbeslagname van ‘La Danse’ van Matisse toen die tijdelijk in Rome hing. In 2003 en 2008 deed hij opnieuw pogingen tot restitutie.

Zoon van rijke textielhandelaar

De volgens Baldassari „revolutionaire” ontwikkeling van Sjtsjoekin als verzamelaar is op de tentoonstelling ‘Icônes de l’art moderne’ goed te zien. Sjtsjoekin, in 1854 geboren als zoon van een rijke textielhandelaar, krijgt in 1886 met zijn net gehuwde vrouw de beschikking over het Moskouse paleis Troebetskoj en koopt zijn eerste kunst om de vele muren te decoreren. Hij begint met conventionele werkjes die zijn traditionele bourgeoisiemilieu verraden. „Aan landschappen en stillevens kan niemand zich een buil vallen”, glimlacht Baldassari. Dat werk hangt in de hypermoderne Fondation in het souterrain, waar de ‘kapel’ van het Moskouse paleis met gewelven en al is gereconstrueerd.

Het wordt anders als Sjtsjoekin in 1898 via zijn broer in Parijs contact krijgt met de in die tijd beroemde kunsthandelaar Paul Durand-Ruel. Hij koopt zijn eerste doeken van Monet en andere impressionisten. In 1902 volgt Degas en via kunsthandelaar Ambroise Vollard gaan werken van Cézanne en Gauguin richting Moskou. Na een aantal dramatische gebeurtenissen in zijn privéleven (het overlijden van zijn zoon Sergej in 1905, van zijn vrouw in 1907 en de zelfmoord van nog een zoon in 1910) wordt zijn keus steeds radicaler en zijn verzamelwoede steeds compulsiever: pijnbestrijding, zeggen sommige kunsthistorici. In 1906 koopt hij 38 werken van Henri Matisse en al in 1908 introduceert diezelfde Matisse hem bij de toen (net als hijzelf) onbekende Picasso, waarvan hij uiteindelijk vijftig, meest kubistische doeken koopt. 29 hangen er nu in Parijs, waaronder het beroemde ‘Trois femmes’.

Werk afkomsting uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en de Tretjakovgalerij in Moskou

André Derain: L’homme au Journal Chevalier, (1911-1914). Werk afkomsting uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en de Tretjakovgalerij in Moskou

 

„Veel mensen in het conservatieve Moskouse wereldje dachten dat hij gek was geworden”, lacht Baldassari, die tot 2014 directeur was van het Musée Picasso in Parijs en nu op uitnodiging van LVMH-topman Bernard Arnault deze tentoonstelling voor de Fondation heeft samengesteld en wetenschappelijk heeft begeleid. „De nieuwe aankopen van S.I. Sjtsjoekin”, schreef de Russische kunstkenner en schilder Alexandre Benois destijds, „hebben in Moskou de roddels aangewakkerd dat de verzamelaar niet meer bij zijn volle verstand is” en alleen koopt „zodat er over hem gesproken wordt”.

Anders dan verzamelaars als Ivan Morozov, evengoed Franse kunst rond de eeuwwisseling opkopend, wilde Sjtsjoekin de werken niet voor zichzelf houden maar publiek tentoonstellen. In 1908 ging het Troebetskojpaleis op afspraak open voor het publiek. Hij leidde op zondagochtenden zelf de geïnteresseerden rond. Baldassari: „Onder druk van jonge kunstenaars die onder de indruk waren van de eerste werken van Picasso, heeft hij in anderhalf jaar tijd nog dertig nieuwe Picasso’s gekocht. Zij gebruikten ze om inspiratie op te doen.” Daarom hangen op de tentoonstelling in Parijs ook 31 stukken van Russische avant-gardisten als Malevitsj en Rodtsjenko om, zegt ze, de invloed van Sjtsjoekin te tonen.

Stalin verdeelt de collectie

Als Lenin na de revolutie de collecties van Sjtsjoekin en Morozov nationaliseert, komen ze samen in Moskou in het nieuwe Moskouse museum „voor nieuwe westerse schilderkunst” te hangen. Sjtsjoekin is dan al uitgeweken naar Parijs, waar hij in 1936 overlijdt. Stalin verdeelt de collectie in 1948 over Sint-Petersburg en Moskou en lange tijd is tentoonstelling van de stukken verboden. Pas in 2004, vertelt Baldassari, was er in het Poesjkinmuseum voor het eerst een tentoonstelling waarbij de naam ‘Sjtsjoekin’ op de tentoonstellingsbordjes vermeld stond.

De expositie in Parijs is „een soort pacificatie”, zegt ze, „tussen de nabestaanden en de Russische collectiebeheerders”. In februari van dit jaar sloten de Russische en Franse regeringen een overeenkomst die de tentoonstelling in het kader van een Russisch-Frans cultureel vriendschapsjaar mogelijk maakte. Dat beaamt kleinzoon Delocque-Fourcaud. Hij prijst de rol van luxetopman en kunstverzamelaar Arnault, in wie hij een „21ste-eeuwse Sjtsjoekin” ziet. Delocque blijft wel ijveren voor definitieve hereniging van de collectie. „De collectie hoort in Moskou thuis”, zegt hij. „Maar als coherent geheel.”