Onderwijs

Kun je wel meten hoe goed een docent is?

Kwaliteit van een docent is niet zomaar te meten, denkt econometrist en bekroond universitair docent Meindert Flikkema. De student moet van de docent hebben geleerd, het meten van docentkwaliteit is dan een toegift. Derde van een drieluik.

ANP Koen van Weel

Docentkwaliteit. Het is een thema dat de minister van OC&W bezighoudt. Zij doelt dan vooral op de kwaliteit van docenten op universiteiten en hogescholen. Een kwestie van meten en verbeteren en opnieuw meten en verbeteren, zou je denken, zoiets als plan-do-act-check. Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Dat blijkt wel uit het grote aantal verschillende meetinstrumenten dat in omloop is. Er wordt veel gemeten en op verschillende momenten, zonder dat we voldoende stil staan bij wat kwaliteit zou moeten of kunnen behelzen. Ongelofelijk, want metingen hebben soms enorme consequenties voor mensen. Ik durf te stellen dat de maatschappij ontwrichtende overtuiging ‘meten is weten’ aan precisering toe is. Weten is afhankelijk van wat, wanneer en hoe je hebt gemeten en of je je voldoende van de analysetaak hebt gekweten. Ik wil hier geen lesje onderzoeksmethodologie geven of statistiek, maar vooral stilstaan bij het zorgvuldig afbakenen van de kwaliteit van een universitair docent en daarna bij de vraag of je die kunt meten. Ik zal betogen dat meten een toegift van het weten is en docentkwaliteit geen doel op zich, leren wel.

Er bestaan verschillende opvattingen over kwaliteit. Ik noem er twee. Ten eerste wordt kwaliteit opgevat als de mate waarin wordt voldaan aan een norm, behoeften, specificaties of vereisten, teneinde daaraan iets positiefs te kunnen ontlenen. Die toevoeging is eigenlijk opvatting 1b.
Een tweede opvatting gaat over het geheel aan eigenschappen en kenmerken van producten of diensten dat in samenhang voorziet in afgesproken of vanzelfsprekende behoeften. Zoiets als leren dus. Kwaliteit zou dus kunnen gaan over eigenschappen en kenmerken van een persoon, product of een combinatie daarvan, die een bijdrage leveren aan iets van iemand.

Daar past ook een derde opvatting in, waarin kwaliteit wordt gezien als het product van prestatie en acceptatie. Die benadrukt dat smaken verschillen en bovendien dat kwaliteit altijd een perceptie is, bijvoorbeeld omdat een overeengekomen kwaliteitsnorm dat is. Die wordt door mensen in de praktijk vaak mentaal opgemetseld als poging tot het objectiveren van kwaliteit. Kwaliteit is geen natuurwet, het is iets dat we vaak slordig overeenkomen.

Laten we er vanuit gaan dat een student naar de universiteit komt om iets te leren, zich ergens in te bekwamen. Zijn docenten er dan niet vooral voor om een bijdrage te leveren aan dat voornemen, om daarbij te helpen? Laten we ‘helpen’ beschrijven als zorgen dat iemand iets gaat kunnen, en niet alleen omdat het moet bijvoorbeeld. Dan zou je een docent vooral moeten beoordelen op de mate waarin hij of zij dat conditioneert en de student op de mate waarin hij of zij gemotiveerd is om te kunnen leren. Dat zijn overigens elkaar beïnvloedende zaken, hetgeen compliceert.

Een student ‘moet’ aan het begin van een leertraject ten eerste weten waar hij of zij staat en naar toe moet. Dat creëert urgentie, die motiveert. Voortgang boeken ook. Doceren zou je dus ook kunnen zien als condities creëren voor voortgang. Hoe die condities luiden, weten we vaak niet. Soms werkt illustreren, dan weer experimenteren, bestuderen of repeteren, visualiseren, metaforiseren, relativeren, confronteren, abstraheren, consulteren, symboliseren en personaliseren. Gaat het dus wel om doceren? Connoteert dat niet teveel als ‘frontaal lesgeven’? Gaat het niet vooral om studenten te laten ervaren welke betekenis dit leerrepertoire kan hebben in specifieke omstandigheden?

Jezelf overbodig maken

De mate waarin een docent de student helpt om zelfstandig te leren, natuurlijk met de voortdurende mogelijkheid om daar anderen bij te betrekken, is dat geen betekenisvolle omschrijving van docentkwaliteit in het WO? Het vermogen om jezelf zo spoedig mogelijk overbodig te maken? Of betreft dat de uitdaging van een hele universitaire opleiding? Ik denk het. Natuurlijk met één uitgangspunt: de student moet willen. Dat vraagt om duidelijkheid over wat hij of zij moet willen, om transparantie daarover. Kortom, een ander aspect van docentkwaliteit is naar mijn mening het vermogen om duidelijk te maken wat je van een student verwacht, dat te legitimeren en aannemelijk te maken dat die verwachtingen reëel zijn. Het laatste is potentieel demotiverend, het daaraan voorafgaande potentieel motiverend. Een volgend, relevant kwaliteitsaspect is in mijn ogen het vermogen van de docent om de regie over het leerproces aan de student te laten en daar alleen in uitzonderlijke gevallen vanaf te wijken. Is overnemen niet synoniem aan zelfvertrouwen afnemen?

Met de dikwijls aan studenten gestelde kwaliteitsvraag of ze veel van een docent geleerd hebben, overvraag je hen. Je leert met of zonder een docent. Hun antwoord is daarom een cocktail van persoonlijke voorkeuren, normen, eigen prestaties, aan- en afwezigheid bij colleges en noem maar op. Dat moet echt anders. Het deugt gewoon niet.
Uit het voorgaande leer ik dat docentkwaliteit ook te beschouwen is als de mate waarin een docent in staat is om het lerend vermogen van zijn studenten te vergroten. Daarnaast moet er vakinhoudelijk geleerd worden of gewerkt worden aan 21st century skills. Dat vraagt allereerst om het duidelijk maken, zo mogelijk illustreren en legitimeren van het beoogde leerresultaat. Om het vaststellen van de uitgangsituatie van studenten, om het creëren van condities voor het boeken van voortgang en tenslotte om fair examineren.

Als je dat weet en meer, dan is meten een toegift. Kwaliteit komt vanzelf bovendrijven.

Dr. Meindert Flikkema, econometrist, UD en UHD Vrije Universiteit, kreeg de Van der Duijn onderwijsprijs in 2015 en was in 2016 genomineerd voor landelijk Docent van het Jaar.