Column

Een ‘truth’ samenleving is er nooit geweest

Niet alleen onwetendheid maar ook ‘wetendheid’ is de uitkomst van politieke en culturele processen, schrijft Maxim Februari.

maximefebruari

Dertig jaar geleden schreef Luciano de Crescenzo een boek over de Griekse filosofie dat door The Times hartelijk werd aanbevolen aan nitwits. De eerste zin van de recensie is me altijd bijgebleven. „Wie hoegenaamd niets weet van de Griekse filosofie, staat bij het lezen van De Crescenzo’s boek een van de heerlijkste ervaringen in het leven te wachten: een ontmoeting tussen verwante geesten – a meeting of like minds.’ Mocht u dit lezen in de hoop van mij iets nieuws over de wereld te leren, dan kunt u rekenen op een al even verrukkelijke ervaring. Ik heb namelijk geen flauw idee. Van de wereld weet ik niets, zou Bløf zeggen. Het spijt me, maar ik staar vol onbegrip omhoog naar het universum en er schiet me niks, noppes, te binnen.

Het niet-weten staat de laatste tijd nogal ter discussie, omdat kritische beschouwers er een machtsstreven achter vermoeden. „Onwetendheid is macht”, zegt wetenschapshistoricus Robert Proctor. Hij heeft onderzoek gedaan naar industrieën, zoals de sigarettenindustrie, die miljarden uitgeven aan het verspreiden van non-kennis, om zo hun waren beter te kunnen verkopen. Proctor heeft ooit de term ‘agnotologie’ gemunt voor de studie naar dit gedrag. „Agnotologie gaat over het doelbewuste creëren van onwetendheid.”

Opeens maakt de agnotologie van Proctor opgang in de sociale media. Die populariteit ontleent ze aan de gedachte dat de feiten ook in het politieke debat hun langste tijd hebben gehad. Dat we leven in een tijdperk van post-truth, dat er krachten aan het werk zijn die niet willen dat we iets weten. Proctor: „Onwetendheid is niet louter het nog-niet-gewetene, het is eveneens een politieke truc” Vertel ik u ditmaal niets zinnigs, dan is dat niet omdat ik een onbenul ben, maar om u te manipuleren.

Wat de zaak ingewikkeld maakt, is dat juist de traditionele kennisinstituten van oudsher dol zijn geweest op onwetendheid. Kijk naar de universiteiten en je ziet dat ze het niet-weten om het hardst naar voren schuiven als oplossing voor alle kwalen. Congressen en bundels bejubelen de ignorantie massaal. „Workshop im Rahmen des Schwerpunktthemas Nichtwissen”, schallen de Duitsers. „Perspectives on the Production and Reproduction of Non-Knowledge”, schrijven de Engelsen. „À la Recherche de l’Ignorance”, roepen de Fransen.

Harvard organiseerde een paar jaar geleden een symposium over het blind maken van mensen op invloedrijke posities. „Verblinding als oplossing voor institutionele corruptie.” Volgens de onderzoekers van Harvard kun je corruptie bestrijden door informatie bij mensen weg te houden – omdat die ze anders maar zou verleiden of beïnvloeden in hun beslissing. Voor betere besluitvorming moet je dus kennisbronnen verbergen, en dat kan met de blinddoek van Vrouwe Justitia, met John Rawls’ sluier van onwetendheid, door blind te testen of met het gebruik van placebo’s.

Het recht op niet-weten

Ignorantie is kortom in, onder wetenschappers. Medici spreken over het recht op niet-weten van patiënten. Antropologen wijzen op het belang van geheimhouding in samenlevingen. Je kunt de verborgen waarheid wel boven water halen, zeggen ze, maar haal je dan de belangrijke ervaring van het niet-weten niet overhoop? Moet je onwetendheid niet maatschappelijk serieus gaan nemen, als meer dan de afwezigheid van kennis?

Wat de zaak nog ingewikkelder maakt, is dat niet alleen de agnotologie, maar ook de beproefde kritische methode van de wetenschap zelf leidt tot wantrouwen tegenover feiten. Die hele traditie van het deconstructivisme, het ontmaskeren van feiten als sociale constructie, laat zien dat niet alleen onwetendheid maar ook ‘wetendheid’ de uitkomst is van politieke en culturele processen. En zo worstelen kennisinstituten met de verhouding tussen kennis en macht. Waarom weten we niet wat we niet weten en waarom weten we wel wat we wel weten? En zouden we niet liever willen dat we niet wisten wat we wel weten?

Terwijl de sociale media hun pijlen richten op de ‘post-truth’ samenleving, moet je bedenken dat er nooit een ‘truth’ samenleving is geweest. Het wantrouwen tegenover de feiten, dat nu op straat is beland, komt bij de serieuze onderzoekers vandaan. Zoals alle ellende op straat van boven komt: een verkeerd begrepen relativering van normen en feiten. Wat moeten we dan wel weten? Deze week weet ik het ook niet. Zojuist stuurde iemand, ik weet niet meer wie, me een citaat uit de roman ‘The Dean’s December’ van Saul Bellow, waarin een hond blaft uit protest tegen de beperkingen van het hondse verstand. „Om Gods wil, open het universum een beetje meer!” Die hond bezorgde me opeens een van de heerlijkste ervaringen van het leven: de ontmoeting met een verwante geest.

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.