Zo is het om te werken met een psychische stoornis

Psychische aandoening

Bijna 700.000 Nederlanders worden behandeld voor een psychische aandoening. De helft van hen zit thuis, terwijl zij beslist niet zijn afgeschreven voor de arbeidsmarkt. Zelfs een stressvolle baan hoeft geen bezwaar te zijn, schrijft NRC-redacteur

Illustratie Jenna Arts

Als ik de redactie oploop, schuift de werkelijkheid over de waan. Hier, waar feiten van fictie worden gescheiden, weet ik zeker wat echt is en wat niet. Waarom kijkt iedereen zo raar? Ik doe of ik niets merk, pak mijn laptop, loop linea recta naar het bureau van de zaalchef, die verantwoordelijk is voor de krant van die dag, en ga zitten. Hier hoor ik. Verbijstering bij mijn collega’s. Wat doet zíj daar?

Collega’s weten heel veel en tegelijk heel weinig van elkaar. Je weet hoe ze hun koffie drinken (géén suiker), hoe hun katten heten en wie voor Ajax is en wie voor Feyenoord. Maar hoe vertel je je collega’s dat je een psychische ziekte hebt? Hoe vertel je het je baas? In mijn geval: niet. Zorgvuldig hield ik mijn bipolaire stoornis verborgen. Uit schaamte (‘ze verklaren me voor gek’). Uit angst mijn werk als eindredacteur te verliezen (‘kunnen we haar wel vertrouwen?’). Uiteindelijk heeft de ziekte mij ontmaskerd toen ik op een ochtend ontremd en van de hak op de tak pratend op de krant verscheen.

Nooit heb ik getwijfeld over mijn functioneren. Ook niet na mijn achttiende, de leeftijd waarop ik hoorde dat ik een ernstige stemmingsstoornis heb, waarbij je schommelt tussen hoge pieken (manieën) en diepe dalen (depressies). Ik hang veilig in het midden. Vaak jarenlang, nooit voorgoed. Ik had kunnen kiezen voor een risicoloze negen-tot-vijfbaan, ik koos voor een onregelmatige journalistieke carrière.Veel avonddiensten draaien heeft z’n voordelen. Pillen na de deadline: stipter kan niet. Maar voorkomen is beter dan genezen, zo werkt het leven niet. Soms, misschien eens in de tien jaar, wint de ziekte. Slapen wordt onzin, mijn energie grenzeloos, instorten een kwestie van tijd. Drie maanden kost het herstel. Best te overzien.

Ik heb geluk, zegt psychiater Annet Spijker, werkzaam bij PsyQ in Rotterdam en gepromoveerd op de behandeling van bipolaire patiënten. Twee jaar lang onderzocht zij of factoren zoals stressgevoeligheid invloed hebben. „We hebben tweehonderd mensen gevolgd. Hoe stabiel bleven zij? Patiënten blijken veel te lijden onder hun ziekte. Eenderde was overwegend somber, eenderde bleef ‘wiebelen’ tussen depressie en manie, de laatste groep was min of meer gelijkmatig. Die mensen waren op één hand te tellen.”

Vooroordelen

Dit is de realiteit: vier op de tien Nederlanders, zegt het Trimbos-instituut, krijgen ooit te maken met psychische klachten. In 2013, het laatste meetjaar, waren 695.870 mensen onder behandeling bij een GGZ-instelling. De vooruitzichten op de arbeidsmarkt zijn weinig bemoedigend. Volgens het CBS heeft de helft van de 18- tot 75-jarigen die geestelijke gezondheidszorg krijgen geen werk. De maatschappelijke kosten zijn fors. Zorg, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid, maar óók productieverlies, kosten jaarlijks 20 miljard euro, berekende de OESO in een rapport twee jaar geleden.

Vooroordelen blijven hardnekkig. Onderzoeksbureau Pimbaa vroeg werkgevers twee jaar geleden of zij werknemers met ‘bijzondere kenmerken’ zouden accepteren. Mensen met een psychische aandoening eindigden onderaan het lijstje, nét boven de verslaafden en ex-delinquenten. Psychiater Spijker: „Ik zal een patiënt niet zomaar adviseren om de werkgever in te lichten over zijn ziekte. Helaas zie ik vaak dat mensen hun baan kwijtraken. Hoe aardig een baas ook is, een bipolaire stoornis is een chronische ziekte en er is een verhoogd risico op uitval.” Veel mensen proberen nét boven het lijntje tussen manie en depressie te zitten, zegt Spijker. „Dan zijn ze op hun creatiefst en vol energie. Dat is niet vol te houden. Je wordt geleefd door je stemming. Ontsporen is onvermijdelijk.”

Uit ervaring weet ik: verleidelijk is het wel. ‘Boven het lijntje’ is het leven immers makkelijker. Ik denk sneller, alles gaat soepeler en mijn zintuigen staan op scherp. Op zulke momenten vlieg ik door de pagina’s. Als een bezetene ga ik langs de kolommen. Vlug dat stuk inkorten. Tot mijn gedachten zo snel gaan dat ze me opjagen. Daarin schuilt het verraderlijke van de ziekte: niks controle, boven de lijn betekent gevarenzone. Eindbestemming: de kliniek.

Het risico op uitval wil niet zeggen dat bipolaire patiënten – 1 procent van de bevolking – zijn afgeschreven, benadrukt Spijker. „Veel mensen stabiliseren door het slikken van lithium en functioneren heel goed. Zelfs een stressvolle baan hoeft geen bezwaar te zijn. Maar ritme, structuur en slaap zijn cruciaal. Daarmee schipperen is een risico.”

Amper tien jaar geleden werd werken door de psychische hulpverlening vaak afgeraden. Houd rust, blijf in balans, zoek hooguit vrijwilligerswerk. „Nu willen we werken stimuleren”, zegt Dorien Verhoeven van Samen Sterk zonder Stigma (SSzS). Als manager van het project ‘Psychische Diversiteit Werkt!’ spant ze zich in voor meer openheid op de werkvloer. Werkgevers weten vaak niet dat ze werknemers met psychische klachten in dienst hebben, zegt Verhoeven. „Deze groep heeft zich onzichtbaar gemaakt en worstelt in stilte met de vraag: moet ik open zijn over mijn ziekte? Vaak leidt dat tot ziekteverzuim. Wanneer je open kunt zijn, zul je eerder hulp zoeken, waardoor de kans op verzuim terugloopt.”

SSzS helpt daarbij door werknemers met psychische problemen te vragen of zij ‘ambassadeur’ willen worden. In die rol lichten ze collega’s voor en spreken ze met leidinggevenden. Grote werkgevers als DSM, AkzoNobel en Nuon worden benaderd om het onderwerp op de kaart te zetten. Zo moeten vooroordelen langzaam sneuvelen. Het begin is er. Verhoeven: „Verandering komt van onderaf. Het vergt moed om tegenover je collega’s en werkgever uit te komen voor je psychische aandoening. Onze ‘ambassadeurs’ verschuilen zich niet langer achter halve waarheden. Nee: ‘Dit ben ik, ik kán werken.’”

Ik wandel zo nonchalant mogelijk de redactie op. Waren zij erbij toen het misging, drie maanden geleden? Wat moet ik zeggen? Een collega spreekt me aan. ‘Hé, fijn dat je er weer bent!’ Gelukkig, er is niets veranderd. Of toch wel, besef ik als ik ga zitten. Ik heb niets meer te verbergen.

Brigitte van Blijswijk (53)

Management consultant bij ABN Amro, heeft autisme

„Het is moeilijk uit te leggen, maar ik kan bijna praten in cijfers, in cijfers zie ik een logica. Beeldspraak, daar begrijp ik niets van. Als een collega zegt ‘met de deur in huis te vallen’, zie ik dat letterlijk voor me. Ik heb geen rem, doe het liefst alles tegelijk en voor 200 procent. Collega’s zeggen: het mag ook 98 procent zijn, maar dat kan ik niet uitstaan. Borrelen, personeelsuitjes, die prikkels zijn wel moeilijk.”

„Toen ik in 1987 bij ABN Amro kwam, wist ik niet dat ik autisme had. De diagnose kwam op mijn 47ste, toen ik na een burn-out uitgebreid werd getest. Met een arbodeskundige heb ik mijn collega’s ingelicht, inclusief een powerpoint-presentatie over autisme. Het was totaal geen probleem.

„Vorig jaar was er een documentaire op televisie over autisme. Gerrit Zalm, onze bestuursvoorzitter, houdt een dagelijks blog bij en schreef ‘zwaar onder de indruk te zijn’. Met enkele andere collega’s die autisme hebben ben ik op hem afgestapt met het plan ‘autisme-ambassadeurs’ aan te stellen die autisme bespreekbaar moeten maken binnen de bank. Zijn reactie: ‘Schakel me gerust in.’ Op zijn blog heeft hij over ons geschreven.”

„Door mijn autisme heb ik veel geleerd. Ik geef er lezingen over, dat had ik vroeger nooit gedurfd. Nieuwe collega’s neem ik apart. ‘Joh, ik moet wat vertellen. Ik heb autisme.’ Niemand doet daar moeilijk over.”

Klaas Pieter Derks (37)

Landelijk adviseur werkgeversdiensten UWV, lijdt aan depressies

„In mijn eerste studiejaar lag ik hele dagen op bed. Van mijn studie godsdienst-pastoraal werk kwam niets terecht. Ik dacht dat ik gewoon somber was. Toen ik weer energie kreeg begon ik aan iets nieuws. Maar ik ben nooit afgestudeerd. Ik voelde de druk van een niet-afgemaakte studie: alles wat je nu doet, moet goed zijn.

„Ik wilde iets met mijn leven. CNV jongeren zocht een voorzitter, een grote stap voor mij. Tot mijn verbazing kreeg ik de functie. Ik kwam als jongste binnen, moest mijn plek veroveren, en bloeide op.”

„In de zomer van 2013, ik werkte inmiddels voor het UWV, ging het toch mis. De donkere wolk boven mijn hoofd werd weer heftiger, collega’s merkten het. Mijn houding was teruggetrokken, mijn blik somber. Toen ik op een congres aankwam, móést ik daar weg. Zes maanden heb ik thuis gezeten.

,,De bedrijfsarts bood me een psycholoog aan. Mijn manager hield contact en ik kreeg bezoek van collega’s. Al kwam er niks zinnigs uit me, mijn donkere gedachten hadden de overhand.”

„Iedereen veronderstelt dat je daarna alles weer oppakt. terwijl ik een inwerkperiode nodig had. De depressie heeft diepe sporen nagelaten, zoals vermoeidheid. Ik draaide 60-urige werkweken, deed vrijwilligerswerk. Het kon niet gek genoeg. Nu ligt de prioriteit bij mijn gezin en baan. ’s Avonds doe ik niets, al loop ik nog wel collecte voor de Nierstichting. Zo kom ik nog eens buiten.

„Ook al weet ik dat ik wat kan, ik heb altijd gedacht dat ik niet zo’n mooie carrière hoor te hebben. Het klinkt raar, maar ik zal nooit zeggen dat ik dit heb verdiend.”