Zeggen wat je denkt kan echt schadelijk zijn

Koppel geen negatieve associaties aan het ras van een groep, schrijft met het oog op Wilders’ proces. „De veiligheid van een bevolkingsgroep kan in gevaar komen.”

Er is vaak kritiek op de beslissingen van het Openbaar Ministerie in discriminatiezaken. Waarom wel vervolgen voor discriminatie als er „Heil Hitler” is geroepen en niet voor het brengen van de Hitlergroet? In beide gevallen wordt verwezen naar een gedachtengoed dat ertoe leidde dat miljoenen Joden het leven lieten. Vervolgens is dan vaak de vraag: „Waarom mag ik niet gewoon zeggen wat ik denk?”

Zes artikelen in het wetboek van strafrecht geven het OM de mogelijkheid het discriminatieverbod te handhaven. De officier is aan deze artikelen gebonden en kan niet méér vervolgen dan in deze artikelen staat. De artikelen hebben hun beperkingen. Zo kan alleen een uitlating gedaan in het openbaar – mondeling, schriftelijk of in een afbeelding – onder de discriminatieartikelen worden vervolgd. De Hitlergroet valt dan al buiten hun bereik, want dat is juridisch gezien een feitelijkheid. Ook het discrimineren van de rijinstructeur tijdens de rijles valt af vanwege het ontbreken van de openbaarheid. Vervolgens wordt de discriminatiegrond ‘geslacht’ niet genoemd in het artikel dat groepsbelediging strafbaar stelt. Het beledigen van transseksuelen als groep is daardoor onder dit artikel niet strafbaar. Ten slotte is het weigeren van mensen bij een horecagelegenheid op grond van ras een misdrijf, maar als het gaat om een homoseksueel, dan is het ‘slechts’ een overtreding. Door deze beperkingen valt een aantal mogelijkheden voor vervolging af.

Regelmatig hoor ik op zitting het argument dat „de vrijheid van meningsuiting terechtstaat”. Dat een groep mensen in gevaar kan worden gebracht door in het openbaar te vertellen hoe je over die groep denkt, is voor een verdachte vaak nieuw. „Hoe kun je door je mening te uiten de veiligheid van een bevolkingsgroep in gevaar brengen?”, is dan de vraag. „Mag ik niet praten over het probleem dat ik zie? Ik sla ze toch geen blauw oog?”

Mensen oordelen in het algemeen eerst op basis van al bekende informatie en gaan dan pas kijken of die informatie klopt. Wel zo veilig. Een ommetje maken als men oog in oog staat met een tijger is beter dan onderzoeken of deze tijger misschien wél gezellig een kopje thee met u wil drinken. Dat een tijger gevaarlijk is, heeft u in uw leven herhaaldelijk gehoord. Door die herhaling zijn de twee woorden ‘tijger’ en ‘gevaar’ bij elkaar gaan horen. Prof. dr. D. Wigboldus noemt dit het proces van impliciete associaties. Hetzelfde proces treedt op bij andere woorden die vaak samen worden gebruikt. Bassie en Adriaan, Bert en Ernie, Marokkaan en… enfin.

Ook zonder iemand een blauw oog te slaan kan de veiligheid van een bevolkingsgroep dus in gevaar worden gebracht. Niet door het gedrag van die bevolkingsgroep aan de kaak te stellen. Wel door herhaaldelijk een negatieve associatie te koppelen aan bijvoorbeeld het ras van die groep. Dat wil niet zeggen dat die negatieve associatie dan ook gelijk onze overtuiging is. Het bepaalt wel onze eerste reactie, zeker als we onder druk staan. De tijger is gevaarlijk. Vluchtelingen uit Syrië zijn dat volgens sommigen ook. Binnenkort zal de rechter zich in het proces-Wilders uitlaten over de vraag wanneer kritiek op gedrag overgaat in het koppelen van een negatieve associatie aan een groep wegens hun ras.

Balancerend tussen grondrechten als het recht op vrijheid van meningsuiting en het verbod op discriminatie werkt de officier van justitie met artikelen die hem soms beperken in de mogelijkheden om te vervolgen. Zoals gezegd stelt de beslissing van de officier in discriminatiezaken meestal een van de partijen teleur. Stoppen met handhaven is echter geen optie. Een gedachtengoed kan immers uiteindelijk, als het ook wordt uitgevoerd, zelfs dodelijk zijn.