Recensie

‘Sneeuw’: schaars belicht spel van verhullen en verblinden

Regisseur Luc Perceval maakt het de toeschouwer niet gemakkelijk. Zijn bewerking van Sneeuw is traag, toonloos en weemoedig, en daardoor soms ronduit saai.

Hoe dicht blijf je bij het boek? Immer een lastige vraag bij boekbewerkingen op toneel. Simpelweg de anekdote volgen in een realistische vertelling, nee, dat is te weinig. Zeker voor een toneelkunstenaar als Luk Perceval, de Vlaming die vaste huisregisseur is van het Thalia Theater in Hamburg, en als gastregisseur bij NTGent nu Orhan Pamuks roman Sneeuw op toneel brengt.

Hij heeft, begrijpelijk, gezocht naar een hoge mate van abstractie om de kern van het boek te verbeelden: de sfeer, het gevoel. Dat leidde tot het mooie decor van Katrin Brack: een zacht wapperende, fluisterende rij fel gekleurde banieren, van nok tot vloer. De spelers waden erin, doemen op, en verdwijnen weer. Het illustreert fraai de geheimzinnigheid die heerst in Sneeuw; het spel van verblinden, verschuilen en verhullen. Maar in de abstractie gaat ook veel verloren.

Verbannen wegens politiek activisme

In Sneeuw (2002), dat Pamuk de Nobelprijs voor de literatuur opleverde, bezoekt de dichter Ka het Turkse grensstadje Kars, waar hij vandaan komt. Hij is er lang geleden vertrokken – verbannen wegens politiek activisme – en leidt nu een kleurloos bestaan in het grauwe Frankfurt. Ka is gefascineerd door een recente zelfmoordgolf van jonge meisjes in Kars, meisjes die het werd verboden hun hoofddoek naar school te dragen. Maar hij is ook benieuwd naar zijn jeugdliefde Ipek, die er een hotel runt.
Lees verder na de trailer


In het besneeuwde, ondoorgrondelijke stadje, strijdtoneel van islamisten en seculieren waar vriend en vijand onophoudelijk van plek wisselen, vindt hij in haar zijn muze. In korte tijd schrijft hij er zijn beste gedichten. De kleurrijke doeken symboliseren ook zijn artistieke opleving, zijn hoop en creativiteit, zijn dichterlijke inspiratie. Op de mooiste momenten bollen ze een beetje in de wind, als de gordijnen van een hotelkamer gezien door de ogen van minnaars, loom na de liefdesdaad.

Verre van gemakkelijk voor de toeschouwer

So far so good. Maar vervolgens maakt Perceval een reeks discutabele keuzes, die het de toeschouwer verre van gemakkelijk maken. Zo is de hele voorstelling gekmakend schaars belicht. Oogopslag, expressie, mimiek van de spelers: onzichtbaar. Ze staan ook steevast met hun gezichten van ons afgewend, ongetwijfeld om hun raadselachtige, vaak tweeslachtige karakter te benadrukken. Soms dwingt dat even een hoge mate van concentratie en een soort verscherpte waarneming af, en dat is knap.

Maar in de Rotterdamse Schouwburg vrijdag bleek het afhaakrisico groot – menig toeschouwer was weerloos tegen de slaap. Ook al door de monotone fluisterfrequentie waarop de tekst steevast wordt uitgesproken. Traag, toonloos en gewild weemoedig is het, en daardoor soms ronduit saai. Dat topacteurs als Els Dottermans (Ipek) en Pierre Bokma (Ka) zo weinig beroering teweegbrengen, is bovendien een ontstellende omissie. Alleen de schitterende, klaaglijke Turkse zang van Melike Tarhan weet zo nu en dan te emotioneren.

De toneelbewerking van Sneeuw is plechtig als een kerkdienst. Passend, wellicht, bij het thema van religieus fanatisme. Weemoed, ontheemding en mysterie overheersen in de visie van Perceval. Maar de roman is zoveel méér: wervelend, verwarrend, kleurrijk, kluchtig, theatraal, zinnelijk, hilarisch en wreed. Deze klinische interpretatie is daarvan mijlenver verwijderd.