Recensie

Smakelijke overdaad uit de Gouden Eeuw

Het Frans Hals Museum toont Hollandse meesters uit het Szépműuvészeti Múzeum in Boedapest, met een belangrijke collectie 16e en 17e-eeuwse werken.

‘Zuivel op zuivel, dat haalt je de duivel’, klonk het tot in de twintigste eeuw nog wel als het brood met boter en kaas werd besmeerd – alsof het nog steeds de onbeschaamde luxe betrof die het vroeger was. Sommige stillevens uit de zeventiende eeuw lijken illustraties te zijn van dat oude spreekwoord. Een schilderij van de Haarlemse schilder Floris van Dyck, bijvoorbeeld, toont een zogenaamd ‘banketje’ met onder meer grote stukken kaas. De overvloed wordt benadrukt door een schaaltje op een hoge voet met daarop smakelijke blokjes boter.

Het schilderij is te zien in de tentoonstelling in het Frans Hals Museum van werken uit het Szépműuvészeti Múzeum (Museum voor Schone Kunsten) in Boedapest. Dat is nog tot maart 2018 gesloten voor renovatie en heeft een deel van de collectie op pad gestuurd. In Haarlem is een selectie gemaakt van liefst 57 schilderijen en 27 tekeningen van Hollandse en Vlaamse meesters uit de Gouden Eeuw. Tot het openschuiven van het IJzeren gordijn was deze collectie hier weinig bekend, terwijl zij toch behoort tot de belangrijkste op het gebied van de zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlanden.

Zelf vergelijkingen maken

Daarvan geeft de tentoonstelling een prachtig beeld. Het zwaartepunt van de selectie ligt bij Haarlemse kunstenaars, maar de rechtvaardiging voor de keuze van schilders van elders komt wat gekunsteld over. Zij zouden volgens het persbericht ‘nieuw licht’ moeten werpen op de Haarlemse stukken. Die ambitie wordt in de expositie of de prettig leesbare catalogus nergens echt waargemaakt: de schilderijen zijn netjes ingedeeld naar genres als landschap, portret en stilleven, en vergelijkingen tussen producten uit het ene of het andere artistieke centrum mag de bezoeker zelf maken.

In de zaal met portretten, bijvoorbeeld, hangt een dubbelportret van een echtpaar (1617/1618) van de hand van de magnifieke portrettist Antoon van Dyck. De zwarte kleding met grote witte kragen is met het brede penseel geschilderd en ook de vlezige gezichten zijn met losse toets piekfijn getroffen. Maar de melancholieke blik van de man, en de zelfs wat wezenloze uitdrukking van de vrouw vallen extra op in vergelijking met twee portretten van Frans Hals, die de show stelen. Een ervan stelt een jonge man (1634) voor die ons met een zelfverzekerde en levendige blik, de lippen iets van elkaar, aankijkt. De witte, met kant afgezette handschoen van de rechterhand die hij in zijn zij heeft gezet, is virtuoos in perspectief geschilderd.

Van Dyck en Hals behoren tot het bovenste echelon van de schilderkunst in de Nederlanden, en zo zijn er in deze expositie vele andere bekende (en ook minder bekende) namen vertegenwoordigd. Zelfs van Rembrandt is er werk: een mooie gewassen tekening van een boerderijtje in scherp lichtdonker contrast en een schilderij uit zijn atelier met een voorstelling van de Bijbelse parabel van de verborgen schat. Gek genoeg toont het misschien wel de meest onbeholpen figuur in de hele expositie, maar het thema van het werk is onmiskenbaar van toepassing op de collectie uit Boedapest.